Parallelsessies

Er zijn 3 parallelsessies. Deze sessies zijn opgebouwd uit diverse presentatievormen: voordrachten, korte presentaties en Pecha Kucha’s. Op het evenement zelf kiest u naar welke presentatievorm u gaat. Er liggen sessiekaarten klaar. Bekijk hieronder alvast welke onderwerpen er zijn.

Wilt u liever een workshop volgen? Dat kan ook, elke sessie biedt 2 workshops aan. Het aantal plaatsen hiervoor is beperkt.

Programma’s parallelsessies

Parallelsessie 1

Voordrachten 1 CATs

Inleiding

Hypertensie (>140/90 mmHg) is een veelvoorkomende aandoening met een prevalentie van 30%. Thuismonitoring en telemonitoring van de bloeddruk zou voordelen kunnen hebben boven spreekkamermetingen, bijvoorbeeld omdat de patient zich meer verantwoordelijk voelt voor zijn gezondheid. Daarom volgt de vraag, zorgt bij patiënten met hypertensie (>140/90 mmHg) het thuis monitoren van de bloeddruk door de patiënt voor betere bloeddrukwaarden, dan wanneer deze wordt gecontroleerd door de zorgverlener?

Gevonden literatuur en resultaten

In een RCT uit 2018 binnen huisartsenpraktijken in Amerika werd thuismonitoring van de bloeddruk middels telemonitoring (n=228) vergeleken met monitoring door de behandeld arts (n=222). Na 12 maanden follow-up werd een systolische bloeddrukdaling gezien van 148 mmHg naar 125 [95% CI 123.4,128] voor de telemonitoring groep en 134.8 [95% 123.5,137.2] voor de controlegroep (gemiddeld verschil -9.7 punten [CI -13.4,-6.0], p < .001).

In een RCT uit 2018 binnen huisartsenpraktijken in het Verenigd Koninkrijk vergeleek de bloeddruk zoals gereguleerd door de behandeld arts (n=394) met thuismonitoring via briefcorrespondentie (n=395) of telemonitoring via een web interface (n=393). Na 12 maanden werd een systolische bloeddrukdaling bereikt van 153 mmHg naar 137 (SD16.7) en 136 (SD 16.1) voor de thuismonitoring groep zonder respectievelijk met telemonitoring, tegenover een bloeddruk van 140.4 (SD 16.5) voor de controlegroep (gemiddeld verschil thuismonitoring -3.5 [CI -5.8,-1.2] p=0.0029 en telemonitoring -4.7 [CI 7.0,-2.4] p<0,0001). Bloeddrukcontrole werd het snelst bereikt in de telemonitoring groep.

In een RCT uit 2021 binnen huisartsenpraktijken in Engeland werd bloeddrukmonitoring door de behandelend arts (n=317) vergeleken met telemonitoring (n=305). Er werd een systolische bloeddrukdaling gezien van 141.8 (SD 16.8) voor de controlegroep tegenover een bloeddruk van 151 mmHg naar 138.4 (SD 16) voor de interventie groep (gemiddeld verschil -3.4 [CI -6.4,-0.8], p-waarde werd niet gerapporteerd).

Conclusie

Bij goed geïnstrueerde patiënten leidt telemonitoring van de bloeddruk bij hypertensie tot een sterkere bloeddrukdaling dan controle door de behandelend arts. Er valt winst te behalen om het gebruik hiervan uit te breiden in de huisartspraktijk.

Een 55-jarige man bezoekt het spreekuur in verband met pijn door knieartrose. Hij gebruikt reeds paracetamol, en is moeilijk te motiveren voor fysiotherapie. Hij vraagt om een injectie. Volgens  de  NHG-Standaard  is  een  intra-articulaire  corticosteroïd  injectie  een  optie,  maar volgens de details is op basis van een systematische review1(SR) uit 2006 nog veel onzekerheid over het voordeel ervan. Is hierover inmiddels meer duidelijkheid?

Probleem: Patiënten met knieartrose

Interventie: Intra-articulaire corticosteroïdinjectie

Controle: Placebo injectie, geen behandeling

Uitkomst: Pijn, bijwerkingen

Cochrane Library levert één relevant resultaat: Jüni 2015, een grote SR waarin intra-articulaire corticosteroïden  worden  vergeleken  met  placebo  of  geen  behandeling,  met  als  primaire uitkomstmaat pijn tussen vier en zes weken na behandeling. Ook Pubmed levertéén relevant resultaat: McAlindon 2017, een randomized controlled trial(RCT)met 140 inclusies over het effect van herhaaldelijke injecties op pijn en kraakbeen.

Jüni  2015  toont dat  corticosteroiden  significant  effectiever zijn  in  pijnreductie (SMD -0.40, 95%-BI -0.58  tot -0.22),  maar het  verschil  is niet  klinisch relevant. Bijwerkingen in  beide groepen zijn vergelijkbaar, maar worden niet beschreven. McAlindon 2017 toont geen verschil in pijnreductie tussen de groepen (WOMAC-pijnscore MD -0,64; 95%-BI -1.6 tot 0.29). In beide groepen wordt het  minimaal  klinisch relevant verschil niet  gehaald.  De  bijwerkingen zijn vergelijkbaar, maar in de behandelgroep wordt een significant groter verlies van kraakbeen gezien (-0.21mm versus -0.10mm, MD-0.11mm, 95%-BI -0.20 tot -0.03).

Een  intra-articulaire  corticosteroïd  injectie lijkt daarmee  effectiever  in  pijnreductie  dan placebo, maar het effect is gering. Terughoudendheid met het inzetten hiervan lijkt op zijn plaats.

Achtergrond

Vasomotore symptomen (VMS) bij postmenopauzale vrouwen kunnen behandeld worden middels transdermale of orale suppletie van oestrogenen. In de huidige NHG-richtlijn worden nauwelijks adviezen gegeven over transdermale toediening van oestrogenen, terwijl dit de eerste keus is in de nieuwere NVOG-richtlijn.

Vraagstelling

Wat is de effectiviteit van transdermale oestrogeensuppletie (I) voor de behandeling van vasomotore klachten (O) bij postmenopauzale vrouwen (P), vergeleken met orale oestrogeensuppletie (C)?

Zoekstrategie

Ik doorzocht Pubmed op 14-3-2021 met behulp van de zoektermen behorend bij de PICO-vraagstelling. Dit leverde 2 relevante studies op: de Randomised Controlled Trial van Santoro et al. (2016) en de netwerk meta-analyse van Sarri et al. (2017).

Resultaten

Beide studies tonen een significant effect van transdermale oestrogenen op VMS vergeleken met placebo. In de studie van Sarri et al. lijkt dit effect zelfs beter dan orale toediening van oestrogenen, terwijl Santoro et al. een vergelijkbaar effect van orale en transdermale toediening aantonen.

Bespreking

De vraagstelling bij beide artikelen is helder en de resultaten worden duidelijk beschreven. Het bewijs in het artikel van Sarri et al. is echter zwak vanwege het kleine aantal RCT’s en hoog risico op bias. De studie van Santoro et al. is goed opgezet, maar representeert mogelijk niet de hele bevolking vanwege de exclusie van personen met een verhoogd cardiovasculair risico. Daarnaast worden de resultaten niet weergegeven met 95%-betrouwbaarheidsintervallen.

Conclusie

Transdermale toediening van oestrogenen lijkt minstens even effectief als orale toediening voor de behandeling van VMS bij postmenopauzale vrouwen.

Inleiding

Indifferente middelen zou de basis moeten zijn voor de behandeling van eczeem. Maar dagelijks insmeren is arbeidsintensief. Hebben kinderen die dagelijks een indifferente crème of zalf gebruiken minder opvlammingen van hun eczeem dan kinderen die geen onderhoudscrème of -zalf gebruiken?

Gevonden literatuur

Een systematic review uit 2017 includeerde 77 RCT’s met in totaal 6603 volwassenen en kinderen met mild tot matig eczeem. Hiervan maakten 6 studies de vergelijking tussen wel of geen indifferent middel. De belangrijkste uitkomstmaat was de eczeemscore (SCORAD)i. De SCORAD loopt van 1 tot 103 (hoger is ernstiger eczeem). Een mulicenter RCT uit 2013 includeerde 335 kinderen met mild tot matig eczeem nadat het eczeem behandeld was. Eén groep kreeg 12 weken Dexeryl® (o.a. glycerol en paraffine), Atopiclair ® (o.a. glycyrrhetinezuur) of geen indifferent middel.

Belangrijkste resultaten

Bij de review werd een verbetering gezien in de SCORAD score bij gebruik van de indifferente middelen met een Mean Difference (MD) van -2.42 (95% BI -4.55 tot -0.28). Ook werden er minder corticosteroïden gebruikt in de groep die smeerde met een indifferent middel in de 6-8 weken waarin de patiënten gevolgd werden (MD -9.30 gram, 95% BI 15.30 tot -3.27).
Bij de RCT was de SCORAD score na 12 weken in de groep zonder indifferent middel 4.00 (Standard Error 0.81). In de andere 2 groepen was dit -3.36 (SE 0.75) voor de Atopiclair en -5.28 (SE 0.75) voor de Dexeryl. Deze verschillen waren significant in het voordeel van de indifferente middelen op elk meetpunt.

Conclusie

Dagelijks insmeren met een indifferent middel vermindert de ernst van het eczeem, maar over de klinische relevantie valt te discussiëren. Het advies om dagelijks te smeren met een indifferent middel is op lage bewijskracht gestoeld. Aangezien het dagelijks smeren weliswaar tijd kost, maar verder geen nadelen heeft, blijft het advies om dagelijks te smeren met een indifferent middel.

Voordrachten 2

Inleiding

De zwangerschap is een voorspeller voor de gezondheid van vrouwen later in het leven. Als er tijdens de zwangerschap pre-eclampsie, hypertensie of diabetes gravidarum voorkomt, dan is de kans om later hart- en vaatziekten en/of diabetes mellitus te krijgen 3-7x verhoogd. Hart voor Vrouwen in Den Haag is een project waarin deze specifieke risicogroep vrouwen met behulp van regionale transmurale afspraken met de betrokken 1e en 2e lijn zorg aangeboden krijgt. Deze risicogroep is in 17 huisartsenpraktijken opgespoord door middel van een vernieuwend algoritme dat de vrouwen uit het huisartsensysteem selecteert.

Onderzoeksvraag

Hoe wordt dit een jaar na de start van het werken met het algoritme en de implementatie van het integrale zorg en preventie aanbod ervaren door de zorgverleners en de vrouwen uit de doelgroep?

Methode

Er zijn 13 semigestructureerde interviews afgenomen (zorgverleners n = 6, vrouwen uit doelgroep n = 7). De interview guide is opgesteld aan de hand van “The Consolidated Framework for Implementation Research (CFIR)”. De interviews zijn opgenomen, getranscribeerd en open gecodeerd. De codering is gedaan door 2 verschillende onderzoekers (SS, HV). Hierna zijn de relaties tussen codes gelegd en geplaatst in de 5 domeinen van het CFIR; kenmerken van de interventie, contact met stakeholders, organisatie context, kenmerken professionals en proces.

Resultaten

In de interviews van de zorgverleners kwam naar voren dat het in de 2e lijn geen extra werk geeft en eenvoudig is. De implementatie gaf een fijne en duidelijke samenwerking. In de 1e lijn geeft het wel extra werk. Het vernieuwende algoritme was goed te gebruiken, de informatie waarop de keuze voor inclusie konden worden gemaakt was hierdoor sneller te verwerken.

Een barrière is dat er in het huisartsensysteem weinig tot geen mogelijkheden zijn om de vrouwen na een jaar op te roepen, omdat ze nog niet voldoen aan de criteria van de ketenzorg.

In de interviews met de vrouwen uit de doelgroep kwam naar voren dat ze het een gemakkelijke afspraak vonden en ook geruststellend dat ze onder controle worden gehouden. De kosten (eigen bijdrage) van het bloedonderzoek vormden geen barrière. De controles zorgden ervoor dat de vrouwen alerter zijn op de risico’s en dat ze open staan voor leefstijlveranderingen. De vrouwen hebben hiervoor de steun van het actief oproepen van de huisarts nodig.

 Conclusies

Zorgverleners en vrouwen uit de doelgroep rapporteerde positieve ervaringen met de implementatie. Daarnaast kwamen kwetsbaarheden van de interventie aan bod, hierop zijn aanbevelingen gedaan. Deze kunnen gebruikt worden bij toekomstige opschalingsinspanningen.

Inleiding

Hartfalen is een veelvoorkomende ernstige aandoening. Vroegtijdige predictie van hartfalen leunt in literatuur vaak op actief verzamelde data, wat onhaalbaar is voor screening. Hergebruik van reeds bestaande EPD data uit de huisartsenpraktijk is een beter alternatief, met als bijkomend voordeel dat de huisarts tijdens een consult een attendering kan krijgen wanneer een patiënt een verhoogde kans heeft op hartfalen, en gerichte actie gestart kan worden. Een belangrijk randvoorwaarde hierbij is dat het model goede voorspellende waarde heeft, zodat huisartsen niet onnodig worden gewaarschuwd. Effectieve modellen hiervoor zijn machine learning algoritmes. Omdat het overgrote deel van de patiënten geen hartfalen in het komende jaar zal ontwikkelen, zal zelfs een zeer goed model veel patiënten fout-positief voorspellen. Daarom focust deze studie zich alleen op de detectie van de 10% patiënten waarbij het model het meest zeker is van zijn predictie.

Onderzoeksvraag

Is het mogelijk om een machine learning model te ontwikkelen dat hartfalen kan voorspellen aan de hand van huisartsendata een jaar voor de daadwerkelijke diagnose, met een lage kans op een fout-positieve indicatie?

Methode

De analysedata is EPD data van 8543 patiënten en 8543 controles, 70 jaar of ouder, verzameld tussen 01-01-2012 en 31-12-2019, uit de Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn database. Voor de patiënten was data -2 tot -1 jaar voor de diagnose verzameld, voor de controles is eenzelfde tijdsperiode van een jaar genomen. Klinische variabelen die meegenomen worden in de modellen zijn klachten en chronische aandoeningen (ICPC), medicatie (ATC) en labwaardes, naast leeftijd en geslacht. Predictiemodellen bestaande uit logistische regressie, random forest en XGBoost zijn gemaakt (1) op basis van leeftijd en geslacht, (2) model 1 aangevuld met aanwezigheid van klinische variabelen, (3) model 2 waarbij ook de volgorde van nieuwe klachten of prescripties is meegenomen.

 Resultaat

Predictiemodellen met enkel demografische gegevens presteerde matig (AUC 0.692, CI 0.677 – 0.706). De toevoeging van klinische variabelen gecombineerd met logistische regressie presteerde het beste (AUC 0.772, CI 0.759 – 0.785, p<0.001). De toevoeging van de volgorde van klinische variabelen verbeterde het model niet verder (AUC 0.767, CI 0.754 – 0.780, p=0.07). De AUC van de random forest en XGBoost modellen was lager dan de logistische regressie modellen. Het aantal patiënten dat gescreend moet worden om één patiënt correct te diagnosticeren daalde van 14.11 (logistisch regressie model met leeftijd en geslacht) naar 5.99 fout positieven per correct geclassificeerde patiënt bij vroegtijdige detectie van 10% van het totale aantal patiënten waar het model het meest zeker is.

Conclusie

In deze studie is een model gecreëerd waarmee het mogelijk is 10% van de patiënten met toekomstig hartfalen een jaar eerder te diagnosticeren dan in de huidige klinische situatie. Dit omvat nog 5.99 fout-positieve patiënten per terecht positieve patiënt. In combinatie met de inzet van redelijk eenvoudige (actieve) diagnostiek zoals (pro)-BNP en ECG om de fout positieven van de correct positieven te scheiden kan dit model in de kliniek mogelijk van toegevoegde waarde zijn.

Inleiding

Van alle sterfgevallen in Europa, overlijdt 20% aan een plotse hartstilstand. Omdat deze mensen waarschijnlijk baat zullen hebben bij preventieve medicatie zoals bloeddruk- en lipidenverlagende middelen, wilden wij onderzoeken hoe goed het risico op acute hartdood te voorspellen is. Hiertoe valideerden wij een eerder ontwikkeld predictiemodel voor plotse hartdood van de ARIC studie (USA) in twee Europese cohorten van het ESCAPE-NET consortium: de Copenhagen City Heart Study (CCHS) en de Hoorn studie (HS).

Onderzoeksvraag

Hoe voorspelt het ARIC predictiemodel voor acute hartdood in een Noord-Europese populatie?

Methode

Het ARIC model voorspelt acute hartdood met de volgende predictoren: leeftijd, geslacht, BMI, totaal cholesterol, bloeddruk, rook-status, gebruik van cholesterol- of bloeddrukverlagende middelen en de aanwezigheid van diabetes. Data van 10100 participanten van de CCHS zijn gebruikt om het eerder ontwikkeld predictiemodel te valideren. Gevallen van plotse hartdood werden in drie categorieën geclassificeerd: definitief, waarschijnlijk of mogelijk. De externe validatie van het predictiemodel werd beoordeeld op het vermogen om te differentiëren tussen aangedane en niet aangedane mensen (discriminatie met c-statistiek) en de overeenkomst tussen de voorspelde kans en het optreden van acute hartdood (kalibratie met de Hosmer-Lemeshow test). Eveneens hebben wij onderzocht hoe goed het risico op cardiovasculaire (CVD) mortaliteit te voorspellen is door middel van het ARIC predictiemodel. De validatie van het predictiemodel werd herhaald in data van de Hoorn Studie (N=2464).

 Resultaat

Gedurende 10 jaar follow-up van CCHS participanten (gemiddelde leeftijd: 58.7 jaar, 56.2% vrouwen) kregen 425 een plotse hartdood (4.2%). Het predictie model liet een goede discriminatie zien voor het plotse hartdood risico (C-statistiek: 0.84 95%CI:0.82-0.85). Kalibratie was robuust (HL test: p=0.9). Verder liet visuele inspectie van de kalibratie plot zien dat het geobserveerde risico overeen kwam met het voorspelde risico van plotse hartdood (Figuur 1). Sensitiviteit was 91.7% maar specificiteit was slechts 62.5%. De positieve en negatieve voorspellende waarde waren: 10.8% en 99.4%. Het predictie model was even goed in het voorspellen van CVD mortaliteit (C-statistiek: 0.84, 95%CI: 0.83-0.85). Aanvullende validatie in de Hoorn studie liet bijna dezelfde resultaten zien (C-statistic:0.81, 95%CI: 0.77-0.85 en de HL test: p=0.99).

Conclusie

Onze studie toont aan dat het in de Verenigde Staten ontwikkelde predictiemodel even goed presteert in de algemene bevolking in Noordwest-Europa. De lage specificiteit en lage positief voorspellende waarde maken dit model echter niet geschikt voor klinisch gebruik in de huisartsenpraktijk.

Inleiding

Handzame 1-kanaals ECG apparaatjes kunnen een laagdrempelig en gebruiksvriendelijk alternatief vormen voor een conventioneel 12-kanaals ECG in de huisartsenpraktijk. Eerder is aangetoond dat huisartsen op een 1-kanaals ECG registratie hartritmestoornissen goed kunnen uitsluiten, maar dat bevestiging van een cardioloog nodig is voor het vaststellen van een aritmie. De regionale organisatie huisartsen Amsterdam (ROHA) heeft als verbeterproject daarom alle 203 gelieerde huisartsen een KardiaMobile 1-kanaals ECG apparaat gegeven, met de mogelijkheid gebruik te maken van een online consultatieplatform (groepsapp in Siilo) met een cardiologisch expert panel.

Onderzoeksvragen

1) Hoeveel van de uitgenodigde huisartsen participeren in dit implementatie project, en hoe vaak is het expert panel in staat om de 1-kanaals ECG registraties, zoals gedeeld in het online consultatieplatform, te interpreteren?

2) Hoe ervaren huisartsen de implementatie van een 1-kanaals ECG apparaat en een online consultatieplatform voor de dagelijkse praktijk?

Methode

De ROHA instrueerde huisartsen om bij patiënten met een snelle, trage, of onregelmatige pols een 1-kanaals ECG registratie te maken. Bovendien instrueerde de ROHA huisartsen alle 1-kanaals ECG registraties waarvan de automatische interpretatie een afwijkende uitslag gaf, alsmede alle registraties waar huisartsen over twijfelden, te delen binnen het consultatieplatform. Wij verzamelden gedurende meer dan één jaar alle gedeelde casuïstiek, en de gegeven interpretaties en adviezen van het expert panel.

Om de ervaringen van huisartsen met dit verbeterproject te onderzoeken verspreidden wij een anonieme, online vragenlijst onder de bij de ROHA aangesloten huisartsen.

Resultaten

Totaal namen er 98 (48%) huisartsen deel aan dit project door deel te nemen aan het consultatieplatform. Achtenveertig huisartsen (49%) deelden in totaal 156 casus. Het expert panel reageerde na gemiddeld 4.00 minuten (IQR: 2.00 – 17.59), en was in staat om 133 (85.3%) 1-kanaals ECG registraties te interpreteren. Huisartsen die de vragenlijst hebben ingevuld (n=43; 44%) vonden de KardiaMobile van toegevoegde waarde voor hartritmediagnostiek in de eerste lijn (n=42; 98%) en gemakkelijk in gebruik (n=41; 95%). De meeste huisartsen vonden ook het consultatieplatform van toegevoegde waarde voor ritmediagnostiek in de huisartsenpraktijk (n=36; 84%). Bovendien bemerkten huisartsen dat ze door deelname aan dit project beter ECGs leerden interpreteren. Het verbeterproject beïnvloedde de ervaren werklast niet.

Conclusie

Aan dit door een lokale huisartsenorganisatie geïnitieerde real-life implementatieproject van een 1-kanaals ECG apparaat (KardiaMobile) en online consultatieplatform nam ongeveer de helft van de uitgenodigde huisartsen deel. Het expert panel was in staat om het overgrote deel van de 1-kanaals ECG registraties die binnen het consultatieplatform werden gedeeld te interpreteren. Bovendien vond deze groep “early adopting” huisartsen de KardiaMobile een nuttig hulpmiddel bij hartritmediagnostiek in de eerste lijn. Ook vonden ze het online consultatieplatform van toegevoegde waarde voor de dagelijkse klinische praktijk.

Inleiding

Hart- en vaatziekten veroorzaken in Nederland dagelijks 101 sterfgevallen en 650 ziekenhuisopnames. De gezondheidsverschillen in sterfte aan hart- en vaatziekte tussen bevolkingsgroepen zijn groot. Zo vonden wij in Den Haag dat, in de groep inwoners van 45 tot 75 jaar, de gestandaardiseerde cardiovasculaire sterfte in de laagste inkomensgroep vergeleken met de hoogste inkomensgroep voor vrouwen en mannen respectievelijk 3,2 en 3,6 keer hoger was. Dit soort verschillen zijn vergelijkbaar met de verschillen in gestandaardiseerde sterfte aan hart- en vaatziekten tussen Nederland en Oost-Europa.

In de cardiovasculaire risicomanagement richtlijn (CVRM, 2018) van het Nederlandse Huisartsen Genootschap (NHG) en de European Society of Cardiology richtlijn (ESC, 2021) wordt sociaaleconomische status benoemd als beïnvloedende factor op het cardiovasculaire risico, maar wordt dit niet in de risicopredictiemodellen meegenomen. De verschillen in sterfte aan hart- en vaatziekten tussen sociaaleconomische groepen wordt in ieder geval ten dele verklaard door verschillen in leefstijl, in het omgaan met richtlijnen en mogelijk daarmee samenhangende diabetesprevalentie. Daarnaast laat sociaaleconomische status een op zichzelf staande inverse associatie met hart- en vaatziekten zien. Of en zo ja hoe sociaaleconomische status als predictor meegenomen zou moeten worden in de Nederlandse en Europese primaire preventie hart- en vaatziekten risicomodellen is vooralsnog onduidelijk.

Onderzoeksvraag

Voorspellen de NHG CVRM- en ESC- risicomodellen gestratificeerd naar sociaaleconomische status accuraat het risico op het krijgen van een hart- en vaatziekte in een groot Nederlands routine zorgdata cohort.

Methode

In het prospectieve eLAN routinezorgdata cohort (periode 2007-2020) met gekoppelde data uit de regio Den Haag van huisarts, ziekenhuis en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) werd met een externe validatie de performance (kalibratie en discriminatie) van de NHG CVRM- en ESC-risicomodellen onderzocht. Sociaaleconomische status werd gemeten als gestandaardiseerd huishoudinkomen en gestratificeerd onderzocht.

Resultaten

Van de 72.000 patiënten is 55% vrouw, de gemiddelde leeftijd is 49 jaar (SD 9 jaar). De mediane follow up is 10,0 jaar (interkwartiel range 5,9-13), met tussen 2007 en 2020 ca. 500 hart- en vaatziekte sterfgevallen en ca. 2000 nieuwe gevallen van hart- en vaatziekten. Kalibratie plots met voorspelde risico’s worden vergeleken met de werkelijke risico’s, met bijbehorende C statistics, in groepen gestratificeerd naar sociaaleconomische status.

Conclusies

Er zijn grote gezondheidsverschillen in het voorkomen van hart- en vaatziekten in groepen met verschillende sociaaleconomische status. De primaire preventie en de risicopredictiemodellen van hart- en vaatziekten kunnen verbeteren door rekening te houden met de sociaaleconomische verschillen.

Inleiding

De prevalentie van hart- en vaatziekten stijgt. Om de zorg voor patiënten met niet acute pijn op de borst in Nederland te verbeteren en optimaal gebruik te maken van de beschikbare voorzieningen, dient men te weten waar mogelijke verbeterpunten liggen. Verrassend genoeg is er weinig bekend over de huidige incidentie, het aantal verwijzingen en de behandeling van patiënten met nieuwe, niet acute pijn op de borst.

Onderzoeksvragen

1) Wat is het verwijspercentage naar de cardiologie voor patiënten met nieuwe, niet acute pijn op de borst in de huisartsenpraktijk? 2) In welk deel van de verwezen patiënten met nieuwe, niet acute pijn op de borst is sprake van adequate communicatie tussen de huisarts en cardioloog? 3) Welk deel van de patiënten met nieuw gediagnosticeerde angina pectoris (AP) wordt farmacologisch behandeld volgens de huidige richtlijnen?

Methode

We hebben gebruik gemaakt van de STIZON huisartsendatabase tussen 2010 – 2016. Patiënten van 18 jaar of ouder, zonder voorgeschiedenis van hart- en vaatziekten, die een fysiek consult voor niet acute pijn op de borst bij de huisarts hadden met een verdenking op een cardiale oorzaak (ICPC K01 en K02) werden geïncludeerd. De aanwezigheid van inkomende correspondentie van de cardioloog na de verwijzing werd geanalyseerd en vervolgens de verwerking hiervan door de huisarts in het elektronische patiëntendossier (EPD). De behandeling van patiënten met een nieuwe diagnose AP werd geëvalueerd voor trombocytenaggregatieremmers, statines en antihypertensiva.

Resultaat

9.029 patiënten met nieuwe niet acute pijn op de borst werden geïncludeerd, resulterend in een incidentie in ons cohort van 1.01/1000 patiëntjaren. 2.166 (24%) van deze patiënten werd verwezen naar de cardiologie. In 857/2.114 (41%) verwezen patiënten waarvan informatie over correspondentie beschikbaar was, ontving de huisarts geen bericht van de cardioloog. In 753/1.270 (60%) patiënten waarvan wel bericht was ontvangen van de cardioloog, werd de conclusie niet verwerkt door de huisarts in het EPD. 255 patiënten kregen een nieuwe diagnose AP. Van deze patiënten werden 37 (15%) niet behandeld met trombocytenaggregatieremmers of orale antistolling, kregen 69 (27%) patiënten geen statine en 67 (26%) geen bètablokker.

Conclusie

Minder dan een kwart van de patiënten met nieuwe, niet acute pijn op de borst wordt verwezen naar de cardioloog. Na verwijzing is zowel de berichtgeving van de cardioloog aan de huisarts, als de registratie hiervan door de huisarts in het EPD ontoereikend. De secundaire farmacologische preventie in patiënten met nieuwe angina pectoris voldoet niet aan de richtlijnen.

Korte presentaties 1 Engels

Background

Patient portals are promising tools to increase patient involvement and allow them to manage their health. To optimally facilitate patients, laboratory test results should be explained in easy language. Patient characteristics affect the usage of portals and the user satisfaction. However, limited research is available, specified for online communicating laboratory test results, on whether portal use and acceptance differ between groups.

Objective

The aim of this study was to assess the effect of patient characteristics (gender, age, education, and chronic disease) on the self-efficacy and perceived usability of an online patient portal that communicates diagnostic test results.

Methods

We used the online-administered eHealth impact questionnaire (eHIQ) to explore patients’ attitudes toward the portal. Patients visiting the portal were asked to complete the questionnaire and to answer questions regarding gender, age, education, and chronic disease. The subscale “information and presentation” of the eHIQ assessed the usability of the patient portal and the subscale “motivation and confidence to act” assessed self-efficacy to determine whether patients were motivated to act on the presented information. Age, gender, education, and chronic disease were the determinants to analyze the effect on usability and self-efficacy. Descriptive analyses were performed to explore patient characteristics, usability, and self-efficacy. Univariable and multivariable regression analyses were performed with age, gender, education, and chronic disease as determinants, and usability and self-efficacy as outcomes.

Results

The questionnaire was completed by 748 respondents, of which 428 (57.2%) were female, 423 (56.6%) were highly educated, and 509 (68%) had no chronic disease. The mean age was 58.5 years (SD 16.4). Higher age, high education, and asthma or chronic obstructive pulmonary disease were significant determinants for decreased usability; respectively, b=-.094, 95% CI -1147 to 0.042 (P<.001); b=-2.512, 95% CI -4.791 to -0.232 (P=.03); and b=-3.630, 95% CI -6.545 to -0.715 (P=.02). High education was also a significant determinant for a lower self-efficacy (b=-3.521, 95% CI -6.469 to -0.572; P=.02). Other determinants were not significant.

Conclusions

This study showed that the higher-educated users of a patient portal scored lower on usability and self-efficacy. Usability was also lower for older people and for patients with asthma or chronic obstructive pulmonary disease. The results portal is not tailored for different groups. Further research should investigate which factors from a patient’s perspective are essential to tailor the portal for different groups and how a result portal can be optimally integrated within the daily practice of a doctor.

Inleiding

Sinds juli 2020 zijn huisartsenpraktijken in Nederland wettelijk verplicht om zorggebruikers online inzage te bieden tot hun huisartsdossier (het OPEN-project). Momenteel wordt dit door de meeste praktijken aangeboden via zogenoemde ‘patiënten portalen’. Uit buitenlands onderzoek blijkt dat online inzage kán bijdragen aan bijvoorbeeld de arts-patiënt communicatie en de betrokkenheid van de patiënt. Ook is er veel onderzoek gedaan naar de factoren die het gebruik belemmeren. Over de Nederlandse situatie is er nog weinig bekend. We weten dat de gebruikerscijfers redelijk stabiel en laag zijn. In dit vroege stadium van implementatie is het van belang om inzicht te krijgen in hoeverre OPEN aansluit op de verwachtingen en behoeften van de gebruikers (patiënten en zorgverleners). Door dit in kaart te brengen kunnen de gebruikerscijfers worden bevorderd. Als raamwerk gebruiken we hiervoor de Capability Approach [1-3].

Onderzoeksvraag

Wat kan online inzage in het huisartsdossier voor patiënten en zorgverleners in Nederlandse huisartsenpraktijken betekenen? En wat hebben zij nodig voor een volwaardig gebruik van online inzage?

Methode

Van maart tot mei 2021 zijn semigestructureerde interviews in 11 focusgroepen gehouden apart voor patiënten (n=29) en zorgverleners (9 huisartsen en 9 praktijkmedewerkers (POH/managers en doktersassistenten) uit 11 huisartsenpraktijken. Middels purposive sampling is er gepleit voor diversiteit onder de deelnemers. De bijeenkomsten zijn opgenomen en na transcriptie allereerst open gecodeerd om beter te begrijpen wat er in de data gebeurt. Daarna is er deductief geanalyseerd met als doel de betekenis van online inzage voor patiënten en zorgverleners te duiden aan de hand van de Capability Approach. Met dit theoretisch model wordt inzicht verkregen in de toegevoegde waarde van online inzage voor de gebruikers, maar ook in de mogelijke factoren (persoonlijk, sociaal, omgeving) die een belemmering kunnen vormen om de toegevoegde waarde te realiseren.

Resultaat

De eerste resultaten laten zien dat de toegevoegde waarde voor zowel patiënten als zorgverleners zijn te categoriseren naar de 7 “waarden” uit de Capability Approach: lichamelijke gezondheid, bewustwording, kritisch meedenken, zorgen, gemak, vertrouwen en controle. Zo verwachten zowel patiënten als zorgverleners bijvoorbeeld dat online inzage kan bijdragen aan de betrokkenheid van de patiënt bij zijn/haar zorg. Ook worden de mogelijke belemmeringen duidelijk. De verwachtingen en behoeften verschillen voor de diverse patiënten en zorgverleners. Zo blijkt dat persoonlijke vaardigheden en enthousiasme, de visie van de praktijk, beroepsstandaarden en mogelijkheden van ICT een rol spelen in het ‘kunnen’ en ‘willen’ gebruiken van online inzage door de gebruikers.

 Conclusie

Met het verkregen inzicht worden per praktijk interventies op maat ontwikkeld voor de zorgverleners en patiëntgroepen om het gebruik van online inzage te optimaliseren. De activiteiten betreffen (1) het bevorderen van gebruik door patiënten, (2) scholing en betrokkenheid van het team, (3) taalgebruik in het elektronisch patiëntendossier en (4) integratie van OPEN in bestaande werkprocessen.

Inleiding

Naast de indicatoren rondom de ketenzorg, die breed geïmplementeerd zijn, heeft de NHG veel andere indicatoren ontwikkeld. Zo zijn er indicatoren die relevante (spiegel)informatie kunnen opleveren om patiëntveiligheid in huisartspraktijken te verbeteren.

We laten in dit onderzoek zien hoe spiegelinformatie op basis van een aantal veiligheidsindicatoren eruit kan zien, gebruikmakend van de gegevens uit elektronische patiëntendossiers verzameld binnen de landelijke Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn (NZR).

Onderzoeksvraag

Wat zijn de uitkomsten van Nederlandse huisartspraktijken op een selectie van zes veiligheidsindicatoren?

Kunnen huisartspraktijken informatie over deze indicatoren gebruiken om aan verbetering te werken?

Methode

Wij analyseerden de gegevens uit elektronische patiëntendossiers afkomstig van 346 huisartsenpraktijken verzameld binnen de NZR. Voor het merendeel van de indicatoren is gebruik gemaakt van data verzameld onder 1,060,618 ingeschreven patiënten in 2019. Het geanalyseerde aantal patiënten en praktijken, en de jaren verschillen echter per indicator. Wij hebben zes veiligheidsindicatoren* geselecteerd. Voor elke deelnemende praktijk zijn beschrijvende statistieken berekend. Daarnaast zijn drie huisartsen kwalitatief geïnterviewd over de resultaten binnen hun praktijk en de bruikbaarheid van de spiegelinformatie.

*De geselecteerde indicatoren:

  • % patiënten ≥ 65 jaar waarbij een creatinineklaring is vastgelegd in de afgelopen vijf jaar
  • % patiënten met een creatinineklaring < 60 ml/min die een NSAID of (hoog gedoseerd) salicylaat kregen voorgeschreven in 2019
  • % patiënten met een creatinineklaring < 30 ml/min die een NSAID of (hoog gedoseerd) salicylaat kregen voorgeschreven in 2019
  • % patiënten met hartfalen en gebruik van NSAIDS in 2019
  • % patiënten met chronisch gebruik van zuurremmende middelen bij alle vaste patiënten in 2019
  • % patienten ≥75 jaar dat een Benzodiazepine gebruikt (langer dan 1 maand)

Resultaten

Wij vonden dat er voor 114,397 van de 135,214 patiënten ≥ 65 jaar (85%) een creatinineklaring was vastgelegd. De praktijkscores varieerden tussen de 66% en 94%. Het percentage patiënten met een creatineklaring onder de 60 ml/min met een ongewenst NSAID of hoog gedoseerd salicylaat varieerde tussen 0% tot 24%. 88% van de praktijken had geen enkele patiënt met een creatininewaarde van 30ml/min of lager met een ongewenst voorschrift. Het percentage patiënten met gediagnosticeerd hartfalen met ten minste één NSAID voorschrift varieerde van 0% tot 41%. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de populatie met hartfalen gemiddeld slechts 41 patiënten betreft. Het percentage patiënten van de gehele praktijkpopulatie dat chronisch zuurremmende middelen voorgeschreven kreeg was gemiddeld 11%. Hierin vonden wij een variatie van tussen de 1% en 21%. Tenslotte keken we naar het percentage patiënten van 75 jaar of ouder die langer dan een maand een benzodiazepine kreeg voorgeschreven. Dit verschilde tussen 0% tot 24%. De gepresenteerde resultaten werden door huisartsen als erg nuttig en bruikbaar beschreven, en slechte resultaten zouden aanzetten tot verbeterinitiatieven. Zij vonden het belangrijk naast de percentages ook absolute aantallen te zien.

Conclusie

Over het algemeen doen de Nederlandse huisartsenpraktijken het goed op de verschillende veiligheidsonderwerpen. Wel is er variatie tussen praktijken, dit suggereert dat er voor individuele praktijken verbetering mogelijk is. De bestaande veiligheidsindicatoren blijken goed bruikbaar in de huisartspraktijk om te verbeteren.

Inleiding

De URinControl app-behandeling voor urineverlies (UI) blijkt niet-inferior ten opzichte van standaard zorg. Op individueel niveau kunnen patienten meer baat hebben bij één van de twee opties. Deze keuze kan gemaakt worden op basis van voorkeuren, maar wordt ook beinvloed door vooroordelen bij huisarts en patient. Een voorbeeld is oudere leeftijd en eHealth. Een beslistool die de beste behandeling voorspelt op basis van patientkarakteristieken zou kunnen ondersteunen in deze keuze. Een voorbeeld van zo’n beslistool is de “personalized advantage index” (PAI), eerder ook gebruikt in de GGZ.

Onderzoeksvraag

Is het mogelijk om op basis van predictie-onderzoek met patientkarakteristieken te voorspellen bij welke behandeling, app of standaard zorg, een individuele patient de meeste verbetering van urineverlies zal hebben?

Methode

Een predictiestudie op basis van data van een pragmatisch, gerandomizeerde, gecontroleerde non-inferioriteits trial. Volwassen vrouwen met ≥2 keer per week ongewild urineverlies, toegang tot apps en wens tot behandeling werden geincludeerd van 2015 tot 2017. Follow-up duurde 4 maanden. De uitkomstmaat was ernst van UI na 4 maanden, gemeten met de International Consultation on Incontinence Questionnaire the Urinary Incontinence Short Form. Eerst identificeerden we prognostische (voorspellend onafhankelijk van behandeltype) en modificerende (voorspellend afhankelijk van behandeltype) predictoren en berekenden we een predictiemodel. Vervolgens voorspelden we op individueel niveau het behandelresultaat van beide behandelingen. Toen beoordeelden we het (klinisch relevante) verschil (personalized advantage index) tussen de twee voorspelde behandelresultaten. Tot slot berekenden we of het toepassen van de PAI leidt tot een significante verbetering van behandelresultaat op groepsniveau.

Resultaat

Populatie: Van de 350 gescreende vrouwen waren er 262 geincludeerd en gerandomiseerd naar App-behandeling (131) en standaard zorg (131); 195 (74%) deed mee aan de follow-up na 4 maanden.

Selectie predictoren: Literatuurstudie en expert opinion identificeerden 13 kandidaat-predictoren. Prognostische factoren waren ernst van UI, postmenopausale status, vaginale bevallingen, algemene gezondheid, bekkenbodemfunctie en body mass index. Modifiers waren leeftijd, UI type en duur, impact van UI op kwaliteit van leven, eerdere fysiotherapie, wervingsmethode en opleidingsniveau.

Predictiemodel: Baseline ernst van UI (prognostisch) en leeftijd, opleidingsniveau en impact van UI op kwaliteit van leven (modifiers) voorspelden het behandeleffect. Hogere leeftijd, hoger opleidingsniveau en hogere impact op kwaliteit van leven waren geassocieerd met een beter behandeleffect van eHealth. Een lager opleidingsniveau was geassocieerd met beter effect van standaard zorg.

Beslistool (PAI): De gemiddelde PAI was 0.99 ± 0.79 punten, dit was klinisch relevant bij 21% van de deelnemers. Het toepassen van de PAI verbeterde de uitkomst op groepsniveau significant.

Conclusie

Het personalizeren van de keuze tussen eHealth en standaard zorg kan met behulp van een beslistool op basis van een predictiemodel. In dit geval van eHealth voor UI is meer onderzoek nodig voor een sterker model. Uiteindelijk zou een beslistool de patiente en arts wel kunnen informeren over de te verwachten behandeleffecten en kan het gebruik van de tool het behandeleffect op groepsniveau significant verbeteren.

Background

Working with hybrid health care requires organizations to make structural changes in the way they work. The organizational structure and process need to be adjusted to provide a high quality of care. This study is a follow-up research on a systematic literature review on optimally organizing hybrid health care using the Donabedian Structure, Process, and Outcome (SPO) model, to translate the findings into a modus operandi for health care organizations.

Objectives

This study aims to develop an SPO-based quality assessment model of organizing hybrid health care, with an accompanying self-assessment questionnaire. Health care organizations can use this model and questionnaire to manage and improve hybrid health care.

Methods

Concept mapping was used to enrich and validate the evidence-based knowledge from the literature review with practice-based knowledge from experts. Qualitative data was collected (online brainstorming, literature review, sorting and rating, group interpretation), and multivariate statistical analyses were performed (multidimensional scaling, hierarchical cluster analysis) to construct an SPO-based quality management model and an accompanying questionnaire.

Results

A total of 39 people participated in the study. All participants had eHealth experience and were health care professionals, managers, researchers, patients or eHealth suppliers. Participants were mainly working at the hospital (25.6%) or family medicine (30.8%) within a management function (41.0%) or as a health care professional (35.9%). Participants brainstormed online all factors that they believe contribute to the effective organization of hybrid health care, including the belonging outcomes. The brainstorming and the literature study together resulted in a list of 314 factors. The editing led to a list of 78 factors. These factors were rated on importance and measurability and grouped into clusters. After multivariate statistical analyses and group interpretation, a quality management model and questionnaire were developed, with eight clusters and 33 factors (the most important and most feasible to measure). The eight clusters are 1. Vision, strategy and organization; 2. Quality IT infrastructure and systems; 3. Quality eHealth application; 4. Providing support toward care professionals; 5. Skills, knowledge and attitude care professional; 6. Attentiveness to the patient; 7. Patient outcomes and 8. Learning system. Above the clusters, the Structure-Process-Outcome categories were positioned as overarching themes to emphasize the interrelations between the clusters. The self-assessment questionnaire allows measuring the quality of each factor.

Conclusions

The quality of hybrid care is determined by organizational, technological, process, and personal factors. In this study, the 33 most important factors are clustered in a quality management model and self-assessment questionnaire called the Hybrid Health Care Quality Assessment (HHQA). The model visualizes the interrelations between the factors. With the questionnaire, each factor can be measured on how effectively it is organized and develops over time. Health care organizations can use the HHQA to identify improvement opportunities for a solid and sustainable hybrid health care.

Inleiding

Thuisarts.nl is een website met informatie over gezondheid en ziekte voor het grote publiek en is samengesteld door artsen en patiënten, gebaseerd op wetenschappelijke richtlijnen. Er kan worden gezocht naar informatie over bepaalde klachten/aandoeningen maar ook naar informatie over een gezonde leefstijl. Online gezondheidsinformatie kan bijdragen aan een vermindering van het zorggebruik bij de huisarts. De verminderde toegang tot huisartsenzorg tijdens de COVID-19 pandemie kan van invloed zijn geweest op het gebruik van online gezondheidsinformatie.

Onderzoeksvraag

Hoe veranderde het gebruik van de website Thuisarts.nl tijdens de COVID-19 pandemie?

Methode

Voor dit lopend onderzoek zijn twee methodes gebruikt: 1) In het voorjaar 2020 en 2021 is een online vragenlijstonderzoek op Thuisarts.nl uitgezet waar bezoekers vrijwillig aan konden deelnemen (respectievelijk 1527 en 1349 respondenten). Er werd o.a. gevraagd naar redenen voor bezoekers om Thuisarts.nl te raadplegen, of ze contact hebben gehad met een zorgverlener, of bezoekers geholpen zijn met de informatie en nadien nog contact hebben opgenomen met de huisarts. 2) Daarnaast is de bezoekersdata van Thuisarts.nl over de jaren 2019-2021 geanalyseerd. Er is onderzocht hoeveel bezoeken er per week plaatsvonden en of dit verschilde tussen de jaren. Vervolgens is het aantal bezoeken uitgesplitst naar COVID-19-gerelateerd onderwerpen en onderwerpen gerelateerd aan andere gezondheidsproblemen en is de top-10 van de meest gezochte onderwerpen onderzocht.

Resultaat

De voornaamste reden om Thuisarts.nl te raadplegen was dat bezoekers wilden weten waar klachten vandaan kwamen (47% en 37%, resp. 2020 en 2021) of wat ze zelf aan klachten konden doen (44%, 2021). Het merendeel bezoekt Thuisarts.nl vóór een contact met een zorgverlener, 71% (2020) en 68% (2021). De meeste bezoekers waren geholpen met de informatie op Thuisarts.nl, 73% (2020) en 74% (2021). Na het bezoek op Thuisarts.nl was het merendeel van de bezoekers niet van plan om contact op te nemen met de huisarts (76% en 68%, resp. 2020 en 2021).

Aan het begin van de COVID-19 pandemie (met name week 8-17 van 2020) was er een sterke toename in het gebruik van Thuisarts.nl. Na deze initiële toename stabiliseerde het aantal bezoeken aan Thuisarts.nl. De toename aan het begin van de pandemie kan deels verklaard worden doordat veel werd gezocht naar COVID-19-gerelateerde onderwerpen. In 2019 werd het meest gezocht naar blaasontsteking, in 2020 en 2021 was dit COVID-19. Daarnaast werd in 2019 vaak gezocht op gordelroos, diarree, krentenbaard en waterpokken. In 2020 en 2021 werd vaker gezocht op maagklachten, pijn op de borst, en schouderklachten.

Conclusie

Sinds het begin van de COVID-19 pandemie is het gebruik van online gezondheidsinformatie via Thuisarts.nl verder toegenomen, in het bijzonder maar niet uitsluitend voor COVID-19-gerelateerde onderwerpen. Er werd vooral gezocht naar klachten waarbij bezoekers de herkomst nog niet wisten en voor het zelfmanagement van klachten. Infectieziekten zoals, gordelroos, krentenbaard en waterpokken werden tijdens de pandemie minder vaak bezocht, terwijl pijn op de borst en schouderklachten vaker werden bezocht. Het merendeel van de bezoekers was tevreden over de informatie op Thuisarts.nl. We zijn benieuwd in hoeverre huisartsen hun patiënten doorverwijzen naar Thuisarts.nl en hoe Thuisarts.nl effectief kan worden ingezet?

Inleiding

De huisartsenzorg in Nederland staat onder grote druk, onder andere door toename van complexiteit van zorg en veroudering van de populatie, met een poortwachtersfunctie in de eerste lijn. Om deze centrale rol in het systeem te kunnen blijven vervullen, is samenwerking en uitwisseling van kennis en informatie tussen artsen onmisbaar.

De huidige manier van communiceren tussen huisartsen en specialisten is uitdagend, met name door wederzijdse (on)bereikbaarheid of slechts unilaterale mogelijkheden. Met een toekomstvisie waarin de patiënt steeds meer centraal komt te staan, zal deze uitwisseling van informatie en kennis tussen meerdere artsen steeds relevanter worden. Om deze samenwerking te faciliteren, is een nieuw digitaal interactief platform ontwikkeld.

Doel

Beschrijven van de ontwikkeling van het gebruik van het digitale interdisciplinaire consultatie platform (Prisma) waarbij /waarin huisartsen en specialisten worden samengebracht om casuïstiek te bespreken via de Siilo applicatie. Data van het eerste jaar consultaties met verschillende onderwerpen en aantal gebruikers wordt geëvalueerd.

Methoden

Een mixed-methods (kwalitatieve en kwantitatieve analyse) observationele studie werd verricht over de consultaties en interactie op het Prisma platform tussen juni 2018 en mei 2020.

Prisma faciliteert de informatie-uitwisseling tussen meerdere huisartsen en meerdere specialisten op basis van specialisme genaamd ‘tegels’. Binnen elke tegel is een interdisciplinaire groep specialisten betrokken, waardoor casuïstiek vanuit verschillende perspectieven kan worden belicht. Iedereen die aangesloten is bij Prisma kan meelezen en participeren in discussies. Dit vergroot de kennis en informatieoverdracht voor alle gebruikers. De huisarts blijft verantwoordelijk voor de zorg en kan op basis van de beschikbare informatie, in samenspraak met de patiënt, keuzes maken voor het vervolgbeleid voor de patiënt.

Resultaten

In totaal werden 3674 casus ingebracht door 424 huisartsen voor 16 specialismen/tegels. De meeste vragen en antwoorden betroffen diagnose, gevolgd door niet-medicamenteuze behandeling en medicatie als derde meest voorkomende thema.

De mediane responstijd was 76 minuten (range, 44–252) en de mediaan van het aantal betrokken artsen per casus was drie, met een maximum van zeven. Bijna de helft van de internistische casuïstiek kreeg van tenminste twee specialisten een respons. Voor de dermatologie was dit voor slechts een op de vijf casus het geval. Dit laatste specialisme toonde echter de snelste groei op het platform.

Conclusie

Digitale consultatie met medisch specialisten kan huisartsen laagdrempelig en bijtijds ondersteunen in diagnose en beleid voor de patiënten. De interdisciplinaire aanpak van Prisma biedt hierbij de mogelijkheid om kennis- en adviesnetwerken rondom patiënten te creëren.

Inleiding

De huisartsenzorg staat onder druk door een toenemende zorgvraag en een afnemend aanbod. eHealth wordt gezien als mogelijke methode om de bereikbaarheid van de zorg te verbeteren. Naar verwachting heeft de implementatie van eHealth in de eerstelijns zorg positieve effecten, omdat eHealth de efficiëntie van zorg, patiënt tevredenheid en kwaliteit van zorg kan verhogen. Bij de Flexdokters werkwijze zijn digitale toepassingen geïntegreerd in de werkwijze. Enerzijds wordt technologie bij Flexdokters ingezet om organisatorische aspecten te faciliteren (e.g., communicatie via chat, Econsulten, belafspraken). Anderzijds wordt het ingezet voor het faciliteren van de planbare processen (e.g., patiënten kunnen zelf online afspraken inplannen). Daarnaast wordt de controle over de zorg meer bij de patiënt neergelegd, aangezien zij herhaalmedicatie kunnen bestellen en het eigen dossier kunnen inzien.

Onderzoeksvraag

Deze studie richtte zich op het in kaart brengen van zorggebruik en kosten (geassocieerd met zorggebruik) bij implementatie van de Flexdokters werkwijze.

Methode

Objectieve data over zorggebruik en kosten van zorgverzekeraar Zilveren Kruis zijn gebruikt. Twee praktijken in Nederland waren geïncludeerd in deze studie, een uit een grootstedelijk gebied en een uit een plattelandsgebied. De variabelen van zorggebruik en kosten waren uitgedrukt in aantallen per 6 maanden. Er is onder andere gekeken naar het aantal huisartsenconsulten, bezoeken aan de huisartsenpost en voorgeschreven medicatie. Zorggebruik en kosten na implementatie van de Flexdokters werkwijze is vergeleken met voor implementatie. Daarnaast, is zorggebruik en kosten na implementatie vergeleken met gematchte controles van niet-Flexdokters praktijken. De longitudinale impact is geanalyseerd met poisson mixed model analyses.

Resultaten

In totaal zijn 1970 deelnemers geïncludeerd. Het aantal huisartsenconsulten is significant gestegen in vergelijking met voor implementatie (Rate=1.52; SE=1.03; p-waarde <.01). Het aantal huisartsenconsulten en voorgeschreven medicatie waren significant hoger in de interventie groep in vergelijking met de controle groep (respectievelijk, Rate=1.23, SE=1.10, p=.035; Rate 1.75, SE=1.07, p<.01). De zorgkosten van huisartsenconsulten zijn gestegen per persoon na implementatie t.o.v. voor implementatie (€13,57, SE=1.50, p-waarde < .001). De zorgkosten van huisartsenconsulten en voorgeschreven medicatie waren significant hoger in de interventiegroep in vergelijking met de controlegroep: (respectievelijk, €7,06, SE=2.97, p-waarde .018; €112,33, SE: 48.12, p-waarde = .020).

Conclusie

Zorggebruik en kosten namen toe na implementatie en in vergelijking met de controlegroep. Deze stijging is met name te wijden aan het opstarten van de werkwijze en het inhalen van achterstallige zorg bij een van de geïncludeerde praktijken. De verwachting is dat zorggebruik ook hoger zal zijn wanneer de opstartfase voorbij is, aangezien de zorg toegankelijker is. Het is van belang dat er vervolgonderzoek komt naar het verloop van zorggebruik en kosten op de langere termijn bij de Flexdokters werkwijze, waarbij ook de COVID-19 periode kan worden meegenomen.

Inleiding

Gezien de hogere kans op ernstige bijwerkingen, zouden ouderen met dementie baat kunnen hebben bij het verminderen van chronische medicatie. Desondanks is wetenschappelijk bewijs van hoge kwaliteit naar de verhouding tussen baten en risico’s van deze interventie vrijwel afwezig. Dit benadrukt de noodzaak van afbouwstudies naar het proactief verminderen van chronische medicatie bij ouderen met dementie. Omdat het nemen van het besluit over deelname van ouderen met dementie aan afbouwstudies dillema’s met zich meebrengt, kan inzicht in de thema’s die een rol spelen in deze besluitvorming ten goede komen aan toekomstig onderzoek.

Onderzoeksvraag

Welke thema’s spelen voor wettelijke vertegenwoordigers een rol in de besluitvorming omtrent deelname van een naaste met dementie aan een gerandomiseerde afbouwstudie?

Methode

Zowel wettelijke vertegenwoordigers die toestemming gaven voor (n=19) als die afzagen van (n=18) deelname van hun naaste met dementie aan de Discontinuation of Antihypertensive Treatment in Older people with dementia living in a Nursing home (DANTON) studie werden telefonisch geïnterviewd. Uitgeschreven transcripten van interviews werden thematisch geanalyseerd. Hierbij werd gebruik gemaakt van een geminimaliseerd deductief raamwerk, gebaseerd op een eerdere exploratieve studie, in combinatie met ruimte voor het naar voren treden van nieuwe thema’s, zijnde in zijn geheel een abductieve benadering.

Resultaat

Besluiten over deelname van een naaste met dementie aan een gerandomiseerde afbouwstudie, volgt uit een al dan niet bewust gemaakte eigen risico-baten afweging. Hierin worden thema’s geassocieerd met (1) het opzet van de interventie, (2) het individu met dementie en (3) de wettelijk vertegenwoordiger zelf, gewogen. De weging kan zowel worden beïnvloed door behandelende zorgverleners als ook door andere naasten. Sleutelthema’s waren o.a. risico en controle, een kwetsbaar evenwicht, vertrouwen en acceptatie van onzekerheid.

Conclusie

Wettelijke vertegenwoordigers maken bij besluiten voor hun naaste met dementie over deelname aan een afbouwstudie, een risico-baten afweging gebaseerd op factoren geassocieerd met zowel het studieopzet als de oudere met dementie. Informatie over de mogelijk te verwachten risico’s en baten, helder gecommuniceerd door een behandelend zorgverlener, kan het voor naasten complex besluitvormingsproces omtrent deelname van ouderen met dementie in toekomstige (afbouw)studies verbeteren.

Inleiding

Jaarlijks wordt een groot aantal gastroscopieën uitgevoerd terwijl de diagnostische opbrengst vaak beperkt is. Er is gesuggereerd dat tot 40% van de gastroscopieverwijzingen door huisartsen niet voldoen aan de verwijscriteria.

Onderzoeksvraag

In deze studie evalueerden we de correctheid van gastroscopieverwijzingen volgens de richtlijn door huisartsen in de dagelijkse klinische praktijk.

Methode

Elektronische patiëntendossiers van eerstelijns patiënten uit de regio Leiden/Den Haag werden gebruikt. Patiënten die tussen 2016 en 2018 werden verwezen voor gastroscopie werden geïdentificeerd. Demografische gegevens, klinische gegevens en details over medicijngebruik werden verzameld. Correctheid van gastroscopieverwijzing werd beoordeeld aan de hand van de Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) standaard ‘Maagklachten’.

Resultaat

De database bevatte 148.926 volwassen patiënten uit 27 huisartspraktijken. Tussen 2016 en 2018 werden 153 patiënten verwezen voor een gastroscopie. De mediane leeftijd was 55 jaar (IQR 42-66) en 67% was vrouw. Op het moment van verwijzing gebruikten bijna alle patiënten (n=141, 92%) zuurremmers, bij meer dan de helft (n=89, 58%) was Helicobacter pylori getest, en de meerderheid (n=106, 69%) had ≤ 3 maanden klachten. Bij 66 patiënten (43%) werd de gastroscopieverwijzing niet correct geacht, waarvan 74% (n=49) klachten ≤ 3 maanden had. De uitkomst van gastroscopie was onbekend in 57 patiënten (39%). Van de patiënten bij wie de uitkomst wel bekend was, werd bij de meerderheid geen of milde bevindingen gezien (n=70, 80%). De helft van de patiënten (n=28, 54%) die terugkwamen bij de huisarts, werd binnen een jaar verwezen naar de polikliniek Maag-, Darm- en Leverziekten (MDL).

Conclusie

Bijna de helft van de gastroscopieverwijzingen toonde geen correcte indicatie op basis van de NHG-standaard. Hoewel de meeste gastroscopieën geen belangrijke bevindingen opleverden, werden toch veel patiënten achteraf doorverwezen naar de polikliniek MDL. Mogelijk kunnen gastroscopieverwijzingen die niet voldoen aan de NHG-standaard voorkomen worden door betere patiëntenvoorlichting, vooral bij patiënten met een kortere duur van klachten.

Korte presentaties 2

Inleiding

Depressie op latere leeftijd hangt samen met meer ziekte, sterfte en risico op comorbide stoornissen, maar wordt niet altijd effectief behandeld. Huisartsen hebben als eerstelijns zorgverleners een belangrijke rol bij het herkennen en behandelen van depressieve klachten bij ouderen. Zij behandelen depressieve ouderen meestal met antidepressiva. Dit terwijl de meeste ouderen een psychologische behandeling prefereren en het gebruik van antidepressivarisico’s met zich meebrengt zoals interacties met andere medicijnen. De richtlijn van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) geeft aan dat voorlichting, dagstructurering en activiteitenplanning de eerste behandelstappen zijn. Gedragsactivatie (GA) is een gestructureerde, laagdrempelige, eenvoudig uit te voeren psychologische behandeling die gestoeld is op deze principes. Het is effectief en kosteneffectief bij volwassenen, en steeds meer onderzoek laat zien dat dit bij ouderen ook het geval is, maar goed gepowerde gerandomiseerde onderzoeken ontbreken nog. Met het huidige onderzoek beantwoorden we de vraag: “Wat is de (kosten-)effectiviteit van gedragsactivatie voor ouderen met depressieve klachten in de eerste lijn in vergelijking met gebruikelijke zorg?”

Methode

De studie was een multicentrisch, cluster gerandomiseerd onderzoek in de eerste lijn met twee behandelarmen: a) acht sessies GA door de POH-GGZ en b) gebruikelijke zorg (GZ), met een follow-up van 14 maanden. Clusters waren huisartsencentra. Deelnemers waren 65+’ers met klinisch relevante depressieve klachten (PHQ-9 >9). De verschillen in het beloop van depressieve symptomen tussen GA en GZ zijn gemodelleerd met lineaire mixed-effects modellen met regressiesplines met depressie op baseline als covariaat. Kosten zijn gerelateerd aan en respons na 12 maanden, gedefinieerd als 50% verbetering in QIDS score op 12 maanden na baseline.

Resultaten

Op de nameting na negen weken rapporteerden deelnemers in de gedragsactivatie-conditie significant minder depressieve symptomen dan de deelnemers in de gebruikelijke zorg t (121.23 )= 3.76 met een effect size (tussen de condities) van 0.87 (0.40-1.34), p = 0.001. Op het laatste meetmoment 12 maanden na de eindmeting rapporteerde de GA groep minder klachten dan de gebruikelijke zorggroep t (117.05) = 1.27, p 0.21, met een effect size (tussen de condities)van 0.32 (-0.21 – 0.86). Dit effect was niet significant: vermoedelijk omdat onze sample size het niet toeliet een klein effect te detecteren en door verlies van data tijdens de follow up.
De respons op basis van de QIDS was in de GA groep na een jaar 7.5% hoger dan in de gebruikelijke zorg groep, terwijl de maatschappelijke kosten lager waren. Voor respons op de QIDS is GA dus dominant over gebruikelijke zorg.

Conclusie

Gedragsactivatie door de POH-GGZ is effectief en kosteneffectief in vergelijking met gebruikelijke zorg in de huisartsenpraktijk.

Inleiding

De POH-GGZ is onmisbaar geworden in de huisartsenpraktijk. De functie richt zich volgens het functieprofiel op het uitdiepen van hulpvraag en klachten, begeleiding en kortdurende behandeling. Zij is laagdrempelig beschikbaar voor mensen met psychische, psychosociale en psychosomatische klachten.

Echter, veel POH’s-GGZ ervaren een hoge werklast. De afgelopen jaren is het aantal patiënten dat zorg vraagt bij de POH-GGZ toegenomen. Er zijn aanwijzingen dat ook de complexiteit en de intensiteit van zorg voor deze patiënten toegenomen is en verder zal toenemen door tekorten in de gespecialiseerde GGZ. In dit onderzoek brengen we in kaart hoe vaak patiënten contact hebben met de POH-GGZ en welke patiënten veelgebruikers zijn.

Onderzoeksvragen

Welke patiënten hebben contact met de POH-GGZ en wat is de gemiddelde contactfrequentie?

Hoeveel patiënten zijn veelgebruiker en welke patiënten zijn dit?

In hoeverre is er sprake van praktijkvariatie in de hoeveelheid veelgebruikers?

Methode

Data van 1.382.520 patiënten uit 340 praktijken werd geanalyseerd over de periode 2017-2019. De praktijken deden mee aan de Nivel Zorgregistraties Eerste lijn en zijn representatief voor huisartsenpraktijken in Nederland. Alleen praktijken met minimaal 100 POH-GGZ contacten in 2 jaar en een minimale deelname van 2 jaar zijn geïncludeerd in deze studie. Van elke patiënt werden achtergrondgegevens, reden voor elk contact met de POH-GGZ en comorbiditeit geregistreerd. Wanneer een patiënt 8 of meer contacten met de POH-GGZ had in een half jaar, zagen we ze als veelgebruikers.

Resultaat

Gemiddeld hadden POH-GGZ-bezoekers 3,8 contacten met de POH-GGZ in een half jaar. Van de patiënten die contact hadden met de POH-GGZ, was 12,6% veelgebruiker. In de totale studieperiode besteedden de POH’s-GGZ 36,3% van hun contacten aan veelgebruikers. Het percentage veelgebruikers onder de POH-GGZ bezoekers varieerde tussen praktijken van 0% tot 70%, met tevens regionale verschillen.

Veelgebruikers waren vaker vrouw (70,1%, OR1.31), 40-59 jaar oud (OR1.18), kwamen vaker vanwege depressieve klachten (18,4%, OR1.14), surmenage (9,9%, OR1.15) en psychose (1,2%, OR1.42) dan POH-GGZ bezoekers die minder dan 8 keer per half jaar contact hadden. Onder veelgebruikers was vaker sprake van psychische comorbiditeit, zoals depressie (2,7%, OR1.50), angststoornis (2,3%, OR1.25), persoonlijkheidsstoornis (6,0%, OR1.59) of een psychotische stoornis (0,8%, OR1.38).

 Discussie

POH’s-GGZ besteden een derde van hun werk aan veelgebruikers. Deze veelgebruikers vormen een heterogene groep en er zijn grote verschillen tussen praktijken en regio’s. Blijkbaar is de contactfrequentie niet alleen afhankelijk van patiënt-gerelateerde factoren maar ook van praktijk- en regio-gerelateerde factoren.

Veelvuldig contact kan gewenst zijn door patiënt en POH-GGZ. Toch sluit dit niet goed aan bij de taakomschrijving van de POH-GGZ, welke gericht lijkt op meer kortdurende en laagfrequente contactreeksen. Mogelijk gaat het hierbij om complexe patiënten die niet op de meest passende plaats zijn bij de POH-GGZ. Daarnaast kan de vraag gesteld worden of intensieve zorg aan deze kleine groep de zorg voor patiënten met mildere psychosociale problemen door de POH-GGZ in de weg staat. We moeten opletten dat de laagdrempeligheid en toegankelijkheid van de POH-GGZ er niet toe leidt dat deze overbelast wordt door patiënten die specialistische zorg nodig hebben.

Inleiding

Depressieve symptomen komen veel voor bij patiënten behandeld voor kanker. Indien tijdig herkend, kan preventieve psychologische zorg de incidentie van depressie met ongeveer 20% verlagen.

Tijdige herkenning van depressieve symptomen is echter gecompliceerd bij deze patiënten, onder andere doordat zij als gevolg van de kankerbehandeling regelmatig cognitieve problemen hebben. Hierdoor is er een hoger risico op recall bias waardoor vragenlijsten minder betrouwbaar zijn. Door gebruik te maken van Ecological Momentary Assessment (EMA) – ook wel zelfmonitoring genoemd – kunnen depressieve symptomen op het moment zelf gedetecteerd worden waardoor er minder risico op recall bias bestaat. EMA is gebaseerd op het dagelijks meermaals invullen van korte, vaak digitale, vragenlijsten gedurende enkele weken. Er is nog geen ervaring opgedaan met EMA in de eerste lijn. Wij hebben gekeken naar de haalbaarheid van EMA binnen de huisartsenpraktijk.

Onderzoeksvraag

Is het haalbaar om EMA in te zetten voor het tijdig herkennen van depressieve symptomen bij patiënten behandeld voor kanker binnen de eerste lijn?

Methode

Haalbaarheid werd gemeten als ‘reach’, ‘response’, en ‘dose received’. ‘Reach’ was het aantal bij deelnemende huisartsen ingeschreven patiënten dat aan de inclusiecriteria voldeed: . >18 jaar oud en in de afgelopen twee jaar in opzet curatief behandeld voor kanker. Hierbij werden patiënten uitgesloten die al voor depressie werden behandeld bij een psychiater of psycholoog.

Patiënten werden benaderd middels per post verstuurde informatiepakketten. De ‘response was het percentage deelnemers.

Deelnemers kregen gedurende 6 weken 3 keer per dag een korte vragenlijst op hun smartphone over hun stemming. Bij start en na afloop van de studie werd de deelnemers gevraagd een reguliere depressievragenlijst (IDS) in te vullen. Na afloop werd een evaluatievragenlijst afgenomen.

De laatste uitkomstmaat was het percentage ingevulde vragenlijsten (‘dose received’).

Resultaten

In totaal deden 16 huisartsenpraktijken mee aan het onderzoek. Hierin waren 931 patiënten behandeld voor kanker, waarvan er 159 (17,1%) voldeden aan de in- en exclusiecriteria en werden uitgenodigd voor de studie (‘reach’). Van hen deden 33 patiënten mee (20,8%, ‘response’) waarvan 52% vrouw. De gemiddelde leeftijd was 63 jaar (standaarddeviatie 11,2). De meeste deelnemers hadden geen (52%) tot milde (48%) depressieve klachten op baseline. Het onderzoek is afgerond door 30 deelnemers (90,9%).

Deelnemers misten 21,5% (mediaan, IQR 9,75-54,25%) van alle meetmomenten (‘dose received’). Van alle deelnemers was bij 23,3% het aantal ingevulde meetmomenten ≥90%. Bijna 70% gaf aan dat het invullen van de vragenlijsten goed vol te houden was. Drie vragenlijsten per dag werd door 31% als precies goed beoordeeld; 66% vond dit te veel. De helft van de deelnemers (50%) gaf aan dat de periode van 6 weken precies goed was, de overige 50% vond dit te lang. De vragen van de dagboekjes werd door 50% als waardevol gezien.

Conclusie

Op basis van onze pilotstudie kan geconcludeerd worden dat patiënten over het algemeen positief waren over EMA . EMA lijkt verder haalbaar binnen de huisartsenpraktijk voor een beperkte groep kankerpatiënten maar de aard van de doelgroep is nog onbekend. Analyses naar de effectiviteit van EMA voor het detecteren van depressieve symptomen volgen.

Inleiding

Elk jaar krijgen wereldwijd 1 op de 16 vrouwen in de reproductieve levensfase te maken met een ongewenste zwangerschap. In Nederland is bekend dat jaarlijks 2% van de vrouwen in de leeftijd 25 tot 49 jaar ongewenst zwanger raakt. De huisarts speelt een essentiële rol in de zorg voor vrouwen met een ongewenste zwangerschap, het is echter niet bekend hoeveel vrouwen hun huisarts consulteren over de zwangerschap. Een ongewenste zwangerschap en de daarbij behorende keuze, is een impactvolle levenservaring en heeft mogelijk invloed op de mentale gezondheid van de vrouw. De data die door huisartsen geregistreerd wordt over ongewenste zwangerschap, mentale gezondheid en anticonceptie kan gebruikt worden om beter inzicht te krijgen in de zorgbehoeftes van vrouwen met een ongewenste zwangerschap en de verbetering van preventie en nazorg.

Het doel van deze studie is om een overzicht te creëren van het aantal vrouwen met een ongewenste zwangerschap dat de huisarts bezoekt en inzicht te krijgen in de psychosociale problemen en het anticonceptie gebruik van vrouwen met een ongewenste zwangerschap in Nederland.

Methode

In deze retrospectieve studie werd data vanuit de Academisch Huisarts Ontwikkel Netwerk (AHON te UMCG) geanalyseerd welke afkomstig is uit 58 huisartspraktijken in Noord-Nederland. In de periode van 2015 tot 2019 werden registratie data geanalyseerd, dit omvatte International Classification of Primary care (ICPC)- and Anatomical Therapeutic Chemical (ATC)-coderingen omtrent zwangerschap, mentale gezondheid en anticonceptiegebruik. De Chi-square en Fishers exact tests werden gebruikt om de verschillen te berekenen tussen vrouwen met een ongewenste zwangerschap (en/of zwangerschapsafbreking) en vrouwen met een gewenste zwangerschap of zonder zwangerschap. Van vrouwen met een ongewenste zwangerschap en vrouwen met een gewenste zwangerschap vergeleken we de registratiedata van psychosociale problemen.

Resultaten

In totaal werden 74.128 vrouwen in de reproductieve levensfase in geïncludeerd. Hiervan hadden 1159 vrouwen (1.6%) een ongewenste zwangerschap (en/of zwangerschapsafbreking) en was bij 8687 (11.7%) vrouwen een gewenste zwangerschap geregistreerd. Voor vrouwen met een ongewenste zwangerschap (en/of zwangerschapsafbreking) werdenstatistisch significant meer psychosociale problemen gevonden dan voor vrouwen met een gewenste zwangerschap. Verder werden statistisch significant meer verschillende methoden van anticonceptie voorgeschreven aan vrouwen met een ongewenste zwangerschap (en/of zwangerschapsafbreking) dan aan vrouwen met een gewenste zwangerschap of vrouwen in de reproductieve levensfase zonder geregistreerde zwangerschap.

Discussie en conclusie

De nieuwe inzichten in psychosociale problemen bij vrouwen met een ongewenste zwangerschap die spelen rondom de zwangerschap, kunnen de basis vormen voor de verbetering van zorg bij ongewenste zwangerschap. Informatie over emotionele nazorg voor vrouwen met een ongewenste zwangerschap zou toegevoegd kunnen worden aan de bestaande leidraad voor huisartsen rondom dit thema. Toekomstig onderzoek kan, naast het toevoegen van data uit andere regio’s, worden uitgebreid met gegevens van verloskundigen, om zo nog beter inzicht te krijgen in de zorgvragen van vrouwen met een ongewenste zwangerschap.

Inleiding

Onlangs kwam het advies vanuit de overheid dat personen met een verstandelijke beperking (VB) uitgenodigd kunnen worden voor een COVID-19-vaccinatie door de huisarts. Om dit te kunnen doen is standaard en eenduidige registratie in het medische dossier van de VB noodzakelijk. Het registreren van de verstandelijke beperking in het medisch dossier is daarnaast ook van belang omdat de VB gepaard gaat met een hogere prevalentie van andere comorbiditeiten en huisartsen hun communicatie naar de patiënt beter kunnen afstemmen. De ICPC-codes ‘P85-mentale retardatie’ en ‘A90.01-Down syndroom’ zijn de best beschikbare codes om personen met een VB te registreren. Standaardcodering om personen met VB te registreren wordt echter onderbenut, wat resulteert in onder identificatie van de VB in medische dossiers.

Onderzoeksvraag

Deze studie ontwikkelt een methode om personen met een VB beter te identificeren in medische gegevens uit de huisartspraktijk door algoritmen te combineren in episode codering(en) en open teksten in de episode.

Resultaat

Van alle personen die met de zoekstring werden geïdentificeerd met VB, was bij ongeveer 80% de ICPC-code voor VB (ICPC:P85) aanwezig, en bij circa 20% een combinatie van andere coderingen en teksten. De kans op een VB-diagnose was groter wanneer tevens ICPC-codes voor psychische symptomen (P) of sociale symptomen (Z) aanwezig waren, terwijl alleen gebruik van ICPC-code A90 zonder subcodering kans op misclassificatie gaf, aangezien deze code ook wordt gebruikt voor het vastleggen van aangeboren afwijkingen die niet per definitie gepaard gaan met een verstandelijke beperking, zoals hoogbegaafdheid.

Conclusie

De eerste stap naar het verbeteren van de zorg voor patiënten met een VB is het optimaliseren van de registratie in medische dossiers door gebruik te maken van de beschikbare standaard codes. Daarnaast kan de in dit onderzoek ontwikkelde methode gebruikt worden om voor identificatiedoeleinden in wetenschappelijk onderzoek of praktijkvraagstukken een additioneel aantal personen met VB te identificeren naast de standaardcodering in de huisartspraktijk.

Inleiding

Om de kwaliteit van zorg voor mensen met diabetes mellitus type 2 (DM2), COPD en hart- en vaatziekten (HVZ) te optimaliseren werd in de Nederlandse eerste lijn ketenzorg geïmplementeerd. Ketenzorg richt zich echter op de behandeling van één chronische aandoening, terwijl multimorbiditeit veel voorkomt en chronische aandoeningen elkaar kunnen beïnvloeden. Ziektespecifieke ketens maken zorg onnodig duur en belemmeren het toepassen van persoonsgerichte zorg. In het project ‘Ketenzorg Ontketend’ integreren wij de ketens tot één nieuw persoonsgericht en integraal zorgmodel voor mensen met chronische aandoeningen en multimorbiditeit. Samen met alle relevante belanghebbenden ontwikkelen (Fase 1), testen (Fase 2), evalueren en implementeren (Fase 3) wij het nieuwe model in drie regio’s. In Fase 2 was de onderzoeksvraag: wat zijn de ervaringen van patiënten en zorgverleners met het ontwikkelde persoonsgerichte en integrale zorgmodel voor chronische aandoeningen en multimorbiditeit?

Methode

Wij implementeerden vanaf april 2021 het in Fase 1 ontwikkelde zorgmodel in 7 huisartsenpraktijken verdeeld over drie regionale huisartsenorganisaties. De praktijken gebruikten het model om de chronische zorg voor mensen met DM2, COPD en/of HVZ persoonsgericht en integraal aan te bieden. Na een half jaar voerden we 4 focusgroepinterviews uit: twee met 5 patiënten per interview en twee met 7 zorgverleners per interview. De digitale focusgroepen duurden 60-90 minuten en werden geleid door een onafhankelijke moderator. Voor de topic guide gebruikten we het Consolidated Framework for Implementation Research. De transcripten van audio-opnames werden geanalyseerd volgens inductieve thematische analyse met behulp van ATLAS.ti.

Resultaten

De nieuwe manier van gespreksvoering daagde de patiënt uit om meer na te denken over het leven met een chronische aandoening, gaf meer ruimte voor inbreng vanuit de patiënt en motiveerde patiënten voor gedragsverandering. Patiënten vonden het prettig dat er meer aandacht is voor hun totale context. Het gebruik van een vragenlijst zorgde voor gespreksopeningen en verdieping in persoonlijke zorg. Patiënten zagen ruimte voor verbetering door het aanpassen van de vragenlijst aan persoonlijke voorkeuren en het toevoegen van vragen over belangrijke gebeurtenissen uit het verleden. Zij benadrukten ook het belang van continuïteit van zorg. Zorgverleners beaamden de effecten voor patiënten en kregen meer inzicht in de motivatie en situatie van patiënten. Ze vonden het fijn om een ander soort gesprek te voeren en ervaarden meer werkplezier. Sommige zorgverleners zochten nog naar balans tussen medisch noodzakelijke en persoonsgerichte zorg. De scholing voor het nieuwe zorgmodel kon worden verbeterd door intervisiebijeenkomsten en concrete voorbeeldvragen. Daarnaast zeiden zorgverleners dat er persoonsgerichte aanpassingen nodig zijn in de gespreksvoorbereiding, omdat een vragenlijst vooral voor patiënten met lage gezondheidsvaardigheden lastig in te vullen is. Zowel patiënten als zorgverleners gaven aan dat goede gespreksvaardigheden en juiste attitude van de zorgverlener essentieel zijn voor de uitvoering van persoonsgerichte en integrale zorg.

Conclusie

De eerste ervaringen van patiënten en zorgverleners met het nieuwe model voor persoonsgerichte en integrale zorg voor (meerdere) chronische aandoeningen zijn positief, met ruimte voor verbetering. De resultaten zullen worden verwerkt in een nieuwe versie van het model met daarbij ook aanpassingen aan scholingen en materialen. De effecten zullen worden geëvalueerd in een cluster gerandomiseerd experiment.

Inleiding

Het tijdig initiëren van proactieve zorgplanning (ACP) in de huisartspraktijk is een uitdaging, zeker bij patiënten met niet-maligne ziekten.

Onderzoeksvraag

Wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen de werkelijke timing van ACP en een timing van ACP die door onafhankelijke huisartsen is geïdentificeerd als optimale timing in patiënten met kanker, orgaan falen of multimorbiditeit? Verschillen de werkelijke aanleidingen voor timing van ACP in de elektronische patiënten dossiers (EPDs) van de aanleidingen voor de geïdentificeerde optimale ACP timing.

Methode

In dit mixed-methods onderzoek met EPDs van aan kanker, orgaan falen of multimorbiditiet overleden patiënten, vergeleken we de werkelijke ACP timing zoals die was vastgelegd in de EPDs met de optimale ACP timing die door onafhankelijke huisartsen eerder was geïdentificeerd. Deze EPDs selecteerden we uit een database van regionale huisartsen registratienetwerken in Nederland (FaMe-Net). Tevens keken we naar factoren die de aanleiding vormden voor het starten met ACP. We combineerden kwantitatieve beschrijvende statistiek met kwalitatieve inhoudsanalyse.

Resultaten

De ACP timing zoals vastgelegd in de EPDs bevond zich significant dichter bij het overlijden dan de geïdentificeerde optimale ACP timing bij patiënten met kanker (mediaan 88 vs. 111 dagen voor overlijden; p=0,049), orgaan falen (227 vs. 306 dagen voor overlijden; p= 0,02) en multimorbiditeit (113 vs. 338 dagen voor overlijden; p=0,006). De aanleiding voor het werkelijk starten van ACP was vergelijkbaar met de aanleiding voor de optimale ACP timing voor de drie groepen. ‘Uitingen van gedachtes of wensen van patiënten’ en ‘passende setting’ kwamen het vaakst voor (voor werkelijke en geïdentificeerde optimale ACP timing 14% en 14% resp. 10% en 13%).

Conclusie

Bij patiënten met kanker, orgaan falen of multimorbiditeit in de huisartsenpraktijk werd ACP in de praktijk later uitgevoerd dan eerder door onafhankelijke huisartsen in dezelfde dossiers als optimaal werd aangegeven. Omdat de aanleidingen voor de werkelijke en de geïdentificeerde optimale timing van ACP vergelijkbaar waren, raden we huisartsen aan om te overwegen ACP al te starten kort na een eerste signaal, in plaats van te wachten op meerdere signalen, wanneer de ziekte in een verder gevorderd stadium is.

Inleiding

Het leveren van goede patiëntenzorg oftewel de juiste hulp op de juiste plaats, op het juiste moment, is een uitdaging gezien de groeiende zorgvraag en beperkte tijd en middelen van de huisarts. Binnen het COPILOT-project, waarin met huisartsen een persoonsgerichte chronische zorgaanpak voor mensen met multimorbiditeit werd ontwikkeld, ontstond de vraag hoe deze nieuwe zorgaanpak haalbaar geïmplementeerd kon worden. Wie namelijk het meest baat heeft bij deze nieuwe persoonsgerichte zorgaanpak was onduidelijk, terwijl handmatige prioritering erg veel werk opleverde en niet iedereen tegelijkertijd uitgenodigd kon worden. Om in te spelen op deze vraag vanuit de praktijk had dit onderzoek als doel om twee predictiemodellen te ontwikkelen waarmee huisartsen op basis van routine HIS-gegevens patiënten kunnen selecteren voor een persoonsgerichte zorgaanpak. Routine HIS-gegevens worden op deze manier op een slimme manier gebruikt.

Methode

We hebben gebruik gemaakt van gemengde methoden met (i) dwarsdoorsnede vergelijking tussen de inschatting van huisartsen met HIS-gegevens en (ii) focusgroep met huisartsen over exploratie van hun inschatting en reflectie op het predictiemodel. Deelnemende huisartsen werden gevraagd om de ‘zelfredzaamheid’ en ‘baat bij een persoonsgerichte zorgaanpak’ in te schatten bij hun praktijkpopulatie met ≥3 chronische aandoeningen. Gebruikte HIS-variabelen bevatten informatie over demografie (geslacht, leeftijd), contactpatroon (aantal consulten/visites) en ICPC-codes van chronische aandoeningen. Logistische regressie met een backward deletion procedure werd toegepast, evenals een forward selectieprocedure voor de interactietermen met leeftijd en geslacht. De hieruit ontwikkelde predictiemodellen werden gevalideerd met 10-fold crossvalidering. Daarnaast werd kwalitatief onderzoek middels een focusgroep met de deelnemende huisartsen uitgevoerd om de modelontwikkeling te duiden.

Resultaten

Vijf huisartsen scoorden in totaal 1032 patiënten. Het predictiemodel voor ‘baat bij persoonsgerichte zorgaanpak’ had een redelijke discriminatieve zeggingskracht (gecrossvalideerde c-statistic van 0,724). De sensitiviteit was 46,1 (38,7-53,4), specificiteit 85,0 (82,6-87,3). Het predictiemodel voor ‘zelfredzaamheid’ had een gecrossvalideerde c-statistic van 0,780. De sensitiviteit was 39,8 (35,4-44,3) en specificiteit 90,7 (88,9-92,5). Het aantal visites van een patiënt was de sterkste predictor in beide modellen. Aandoeningen die geassocieerd waren met verhoogde of verlaagde ‘zelfredzaamheid’, dan wel ‘baat bij persoonsgerichte zorgaanpak’ werden ook gevonden, waaronder myocardinfarcten of CVA’s. De resultaten van de kwalitatieve analyse lieten zien dat beide concepten deels konden worden verklaard met HIS-gegevens.

Conclusie

Dit onderzoek laat zien dat het mogelijk is om de inschatting van de huisarts te benaderen met een potentieel toepasbaar predictiemodel op basis van HIS-gegevens. In het bijzonder was informatie over het contactpatroon waardevol voor het identificeren van verschillende patiëntengroepen. Implementatie van deze predictiemodellen met vervolgonderzoek zou huisartsen kunnen helpen bij het automatisch en systematisch selecteren van patiënten om nog betere patiëntenzorg te leveren binnen hun beperkte tijd en middelen.

Inleiding

Chronische duizeligheid is een belangrijk probleem in de huisartsenpraktijk. De meest effectieve behandeling is vestibulaire revalidatie, een interventie bestaande uit dagelijkse oefeningen om het evenwichtssysteem te stimuleren. Desondanks wordt vestibulaire revalidatie nog nauwelijks aangeboden door Nederlandse huisartsen. We ontwikkelden een online vorm van vestibulaire revalidatie om de toegankelijkheid te vergroten. In een gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek in de Nederlandse huisartsenpraktijk toonden we aan dat online vestibulaire revalidatie zorgde voor significant minder duizeligheidsklachten dan gebruikelijke zorg na zes maanden. In een follow-up na drie jaar hebben we nu onderzocht of deze positieve effecten aanwezig blijven op de lange termijn.

Onderzoeksvraag

Is bij vijftigplussers met chronische duizeligheidsklachten online vestibulaire revalidatie, effectiever dan gebruikelijke huisartsenzorg na drie jaar?

Methode

Dit is de driejaarsfollow-up van een eerder uitgevoerde driearmige, gerandomiseerde pragmatische trial. Tussen juni 2017 en juli 2018 includeerden we 322 vijftigplussers uit de huisartsenpraktijk met een chronisch vestibulair syndroom (langer dan een maand aanwezige duizeligheidsklachten die verergeren met hoofdbewegingen). Deelnemers werden gerandomiseerd in de groepen op zichzelf staande online vestibulaire revalidatie (n=98), online vestibulaire revalidatie met fysiotherapeutische ondersteuning (n=104) en gebruikelijke huisartsenzorg (n=120). De online vestibulaire revalidatie bestond uit een website met informatie over duizeligheid en bevatte instructies om dagelijks oefeningen uit te voeren gedurende zes weken (10-20 minuten per dag). In de online vestibulaire revalidatiegroep met ondersteuning kregen deelnemers dezelfde behandeling, aangevuld met twee ondersteunende bezoeken van een fysiotherapeut. In de gebruikelijke zorggroep kregen deelnemers geen aanvullende behandeling. Na zes maanden werd ook deze groep toegang tot op zichzelf staande online vestibulaire revalidatie aangeboden.

In deze lange termijn follow-up hebben we na drie jaar alle deelnemers opnieuw benaderd en dezelfde uitkomstmaten voorgelegd. De primaire uitkomstmaat was het verschil in duizeligheidsklachten, gemeten met de gevalideerde Vertigo Symptom Scale – Short Form (VSS-SF) vragenlijst (klinisch relevant verschil > 3 punten). Angst, depressieve klachten en beperking door duizeligheidsklachten waren de secundaire uitkomstmaten.

Resultaten

Na drie jaar vulden 208 deelnemers (65%) de VSS-SF primaire uitkomstmaat in. We vonden geen significante verschillen meer in de primaire en secundaire uitkomstmaten tussen de online vestibulaire revalidatie interventiegroepen en de gebruikelijke zorggroep. De klinisch relevante verbetering in duizeligheidsklachten die we zagen in de eerste zes maanden ten opzichte van de start van het onderzoek bleef wel bestaan in de online vestibulaire revalidatie groepen zonder en met ondersteuning (gemiddeld verschil -4.6 punten, 95%-BI -6.0 tot -3.1; -4.0 punten, 95%-BI -5.5 tot -2.4). Er was nu echter ook een sterke verbetering van de de gebruikelijke zorggroep (-3.3 punten, 95%-BI -4.8 tot -1.8). Een deel van deze deelnemers (38%) was na zes maanden alsnog gestart met online vestibulaire revalidatie.

Conclusie

Na drie jaar vonden we geen significante verschillen in duizeligheidsklachten tussen online vestibulaire revalidatie en gebruikelijke zorg. De eerder gerapporteerde klinisch relevante verbetering na zes maanden in de online vestibulaire revalidatiegroepen bleef aanwezig.

Introduction

General physicians play a key role in the diagnosis and treatment of osteoarthritis (OA) and are often the first medical professionals to see patients with OA. However, the impact of COVID-19 on the management of OA patients in primary care is unknown.

Research question

This study quantifies how the COVID-19 pandemic affected the management and diagnosis of osteoarthritis in primary care in the Netherlands.

Methods

Using electronic health records from 118,756 primary care patients over 45 years, we compared the number of GP consultations at the peak of the first and second wave in 2020 to 5-year average prior to the pandemic. We focused on weekly number of GP consultations for: any musculoskeletal disorders; knee and hip complaints; knee and hip OA; and the number of newly diagnosed hip and knee OA or symptoms.

Results

The relative reduction in consultations across our outcomes ranged from 47.3% (95% CI: 42.1-52.1%) (all musculoskeletal consultations) to 61.6% (95% CI: 44.6-73.3%) (hip symptoms) for the first wave, and from 8.6% (95% CI: 0.4-17.7%) (all musculoskeletal consultations) to 26.3% (95% CI: 12.1-38.2%) (knee OA diagnosis) for the second wave.

Conclusion

We observed substantial disruption to treatment and diagnosis of knee and hip OA in primary care during the first two waves of the pandemic. This may lead to worsening symptoms in OA patients, decrease in health related quality of life and increased mortality. We may expect worsening sarcopenia and frailty among OA patients, and more requests for arthroplasty surgery.

Pecha kucha’s

Inleiding

Huisartsen schrijven regelmatig antibiotica voor aan patiënten met virale luchtweginfecties. Het doel is het voorkomen dan wel behandelen van een bacteriële superinfectie of een pneumonie. Dit gebeurt vooral tijdens de influenza seizoenen. SARS-CoV-2 is een virale ziekte die overkomsten vertoont met influenza en waarbij huisartsen in eerste aanleg geneigd zijn vergelijkbare adviezen te geven als bij influenza. Ook omdat er momenteel vrijwel geen specifieke effectieve behandelingen beschikbaar zijn in de 1e lijn voor COVID-19 patiënten. Er is weinig bekend over het voorschrijven van antibiotica in de 1e lijn gedurende de SARS-CoV-2 pandemie en wat geassocieerd is met antibioticavoorschriften bij COVID-19 patiënten in de 1e lijn.

Onderzoeksvraag

In dit afgeronde onderzoek vergeleken we het aantal antibioticavoorschriften voor COVID-19 patiënten tijdens de 1e en 2e golf (15-02-2020 tot en met 31-07-2020 en 01-08-2020 tot en met 31-12-2020) en voor patiënten met influenza of influenza achtige symptomen in de influenza seizoenen 2017 tot en met 2020. Daarnaast onderzochten we de associatie tussen het voorschrijven van antibiotica en risicogroepen voor een ernstig beloop van COVID-19 en de associatie met het aantal ziekenhuis- en intensive care (IC) opnames en de mortaliteit bij COVID-19 patiënten.
Methoden
Wij deden een observationeel onderzoek in gepseudonimiseerde dossiergegevens afkomstig van 85 huisartspraktijken die aangesloten zijn bij het ELAN datawarehouse. Patiënten van 18 jaar en ouder met influenza of influenza achtige symptomen tijdens de influenza seizoenen 2017 tot en met 2020 en COVID-19 patiënten tijdens de 1e en 2e golf werden geïncludeerd. Het relatieve risico (RR) en 95% betrouwbaarheidsinterval (95%BI) om antibiotica voorgeschreven te krijgen door de huisarts werd uitgerekend met multivariabele logistische regressie en gestratificeerd per risicogroep. Het relatieve risico voor opname in een ziekenhuis dan wel op een intensive care afdeling werd berekend voor COVID-19 patiënten met of zonder een antibioticavoorschrift.

Resultaat

Wij konden 1702 en 6904 COVID-19 patiënten in respectievelijk de 1e en 2e golf includeren. Het aantal antibiotica voorschriften voor patiëntcontacten met SARS-CoV-2 was lager dan voor patiëntcontacten vanwege influenza of influenza achtige symptomen, 9.6% in de 1e SARS-CoV-2 golf versus 20.7% (95% CI:1.4-4.0) in influenza seizoen 2020 (n=1422). Antibiotica werd meer voorgeschreven bij COVID-19 patiënten met een leeftijd van 70 jaar of ouder (OR 2.05, 95% CI:1.43-2.93) en met 1 co-morbiditeit of meer (OR 1.46, 95% CI:1.18-1.92). COVID-19 patiënten met een antibiotica voorschrift werden vaker opgenomen in het ziekenhuis (OR 3.19, 95% CI:2.02-5.03) of op een intensive-care afdeling (OR 4.64, 95% CI:2.02-10.62)

Conclusie

Huisartsen schreven relatief weinig antibiotica voor aan patiënten met SARS-CoV-2 in vergelijking met patiënten met influenza of influenza achtige symptomen. Het relatief lage aantal antibiotica voorschriften voor COVID-19 patiënten komt mogelijk door het vooraf testen en dat gebeurt bij influenza niet. Dit laat zien dat het verlagen van diagnostische onzekerheid in belangrijke mate kan bijdragen aan het terugdringen van onnodig voorschrijven van antibiotica bij een influenza infectie. Als het voorschrijven van antibiotica wordt gezien als uiting van risicoschatting, dan wisten huisartsen in te schatten welke COVID-19 patiënten een groter risico hadden op een ernstiger beloop: bij deze risicogroepen werden meer antibiotica voorgeschreven.

Inleiding

Na de corona-uitbraak werd minder kanker gediagnosticeerd. Omdat in landen met een poortwachterszorgsysteem meer dan driekwart van de patiënten met kanker gediagnosticeerd wordt na consultatie van de huisarts, is het in stand blijven van tijdige presentatie bij-, en verwijzing door de huisarts van groot belang.

Onderzoeksvraag

Wat was de invloed van de corona-uitbraak op de presentatie van kanker-gerelateerde klachten en de tijd tot verwijzing in de huisartsenpraktijk?

Methode

Middels een retrospectief cohort onderzoek brachten wij in kaart wat de impact was van de corona-uitbraak op (1) het aantal presentaties met kanker-gerelateerde klachten en (2) de mediane tijd tussen eerste presentatie en verwijzing van patiënten met kanker in de huisartspraktijk (het huisartsinterval). Hiervoor werd de huisartsendata van 1,2 miljoen patiënten uit het INTERCITY Netwerk (UMC Utrecht, Amsterdam UMC, UMC Groningen en Maastricht UMC) gebruikt. Het aantal consulten voor kanker-gerelateerde klachten vanaf de eerste coronagolf (maart 2020) werd, op basis van kanker-gerelateerde ICPC codes, vergeleken met het gemiddelde van voorgaande jaren (2018/2019). Duur van het huisartsinterval bij kanker tijdens de eerste corona-golf werd vastgesteld op basis van vrije tekst exploratie van huisartsendata. Met vragenlijsten werd de ervaring onder huisartsen uitgevraagd wat betreft de impact van de corona-uitbraak op kanker-gerelateerde (1) presentatie door patiënten, (2) herkenning en verwijzing in de huisartspraktijk, en (3) doorlooptijd na verwijzing.

Resultaat

Presentaties bij de huisarts met kanker-gerelateerde klachten namen tijdens de eerste coronagolf af met 31% t.o.v. dezelfde periode in voorgaande jaren. Tijdens de tweede coronagolf was de afname 5%. Voor presentatie van alarmsymptomen vond mogelijk een inhaalslag plaats eind 2020; rectaal bloedverlies +19%, knobbel in borst +26% t.o.v. voorgaande jaren.

De duur van eerste presentatie met een kanker-gerelateerde klacht tot verwijzing nam toe t.o.v. eerdere jaren voor darmkanker (>5x zo lang) en longkanker (>2 keer zo lang). Voor borstkanker en melanoom wordt deze verlenging niet evident gezien (analyses nog gaande).

Vragenlijsten bij huisartsen laten zien dat vertraging ervaren werd tijdens de eerste coronagolf bij 1) presentatie door patiënt aan huisarts – volgens 88% van de huisartsen verlengd – voornaamste redenen: patiënt wil huisarts niet belasten en angst voor corona in de huisartspraktijk, 2) herkenning kankersymptomen tijdens het spreekuur – volgens 52% verlengd – voornaamste redenen: focus op corona door patiënt en risicoherkenning bemoeilijkt door suboptimale communicatie en onderzoek en 3) verwijzing bij verdenking – volgens 68% verlengd – voornaamste redenen: langere wachttijden voor onderzoek en consultatie en angst voor besmetting in ziekenhuis.

Conclusie

Zowel het aantal presentaties als de tijd van presentatie tot verwijzing is beïnvloed door de corona-uitbraak. Ook patiënten met alarmsymptomen voor kanker stelden hun bezoek aan de huisarts uit. Met name voor darm- en longkanker lijkt de tijd tussen eerste presentatie en verwijzing in de huisartspraktijk verlengd.

Inleiding

COVID-19 heeft grote invloed gehad op de huisartsenzorg. Tijdens de eerste golf (maart/mei 2020) daalde het aantal huisartsconsulten en visites, onder andere door angst voor besmetting en angst om de zorg te belasten. Inzicht in de mate waarin sprake is van een daling van het aantal consulten bij verschillende leeftijdsgroepen en verschillende gezondheidsproblemen kan helpen om gerichte acties te nemen om de negatieve gevolgen nu en in de toekomst te beperken.

Onderzoeksvraag

In welke mate en voor welke gezondheidsproblemen gingen patiënten sinds maart 2020 minder naar de huisarts?

Methoden

Met behulp van gegevens van 362 huisartspraktijken die deelnemen aan Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn is het aantal huisartsconsulten en visites per week in 2019 en 2020 berekend, uitgesplitst naar leeftijd en geslacht. Daarnaast is gekeken naar het aantal huisartsconsulten voor verschillende type gezondheidsproblemen, op basis van de door de huisarts geregistreerde ICPC code.

Resultaten

Tijdens de eerste golf lag het aantal huisartsconsulten tot 20% lager dan in dezelfde periode in 2019. Vooral het aantal langere consulten daalden, terwijl het aantal korte consulten van minder dan 5 minuten juist steeg. Tijdens de zomer en tweede golf verschilde het totaal aantal huisartsconsulten niet meer van dezelfde periodes in 2019.

Vooral bij kinderen lag het aantal consulten tijdens de eerste golf flink lager. Bij ouderen was er veel minder sprake van een daling in het aantal huisartsconsulten, maar wel een daling in het aantal huisartsvisites. Er waren geen verschillen naar geslacht.

De grootste daling was te zien bij consulten vanwege screening (uitstrijkjes en reizigersvaccinaties), kinderziektes (kinkhoest, waterpokken), klachten aan het bewegingsapparaat en acute letsels. Consulten voor psychische klachten lieten geen daling zien. Het aantal consulten vanwege alarmsymptomen voor kanker lag tijdens de eerste golf tot 41% lager dan in 2019. Voor kleine kwalen was dit tot 39%.

Conclusie

Vooral tijdens de eerste golf, van begin maart t/m half juni 2020, daalde het aantal huisartsconsulten. Bij kinderen was een grote daling te zien, maar waren waarschijnlijk ook minder huisartsbezoeken nodig omdat zij minder infectieziektes hadden. Bij ouderen is een blijvende daling in het aantal visites te zien, wat zorgen baart omdat deze bezoeken een belangrijke signalerende functie hebben. Mogelijk heeft dit te maken met blijvende druk op de huisartsenzorg door verhoogde zorgvraag en uitval door COVID-19.

Wat ook zorgen baart is de daling in het aantal consulten voor alarmsymptomen voor kanker en acute hart en vaatziekten tijdens de eerste golf. Bij eventuele toekomstige lockdowns is het belangrijk om tijdig te communiceren dat patiënten contact met hun huisarts moeten blijven opnemen bij alarmsymptomen.

Inleiding

Sommige patiënten blijven klachten houden na een corona infectie (post-COVID-syndroom (PCS)). Er is nog weinig bekend over de effecten hiervan op de kwaliteit van leven (KvL). Voor een volledig inzicht in de effecten op KvL van patiënten met PCS, combineren we patiëntervaringen uit vragenlijsten met klinische gegevens uit elektronische patiëntendossiers (EPD’s) van huisartsen.

Onderzoeksvraag

Wat is de kwaliteit van leven van patiënten die bekend zijn met het post-COVID syndroom in de huisartspraktijk drie en zes maanden na een COVID-19 besmetting?

Methode

Het Nivel startte in 2021 het Nivel Corona Cohort. We selecteerden patiënten met een COVID-19-registratie (ICPC-code R83.03) in het EPD uit Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn en nodigden ze via hun huisarts uit voor deelname. De werving van patiënten vond plaats tussen januari en september 2021. Deelnemers krijgen vier vragenlijsten met items over de COVID-19 infectie, restklachten, leefstijl, KvL (SF-12, score van 0-100) voor de COVID-19 infectie en drie en zes maanden daarna. We koppelden gegevens uit vragenlijsten, wanneer patiënten hiervoor toestemming gaven, aan gegevens uit het EPD. De EPD-gegevens bevatten informatie over comorbiditeiten (ICPC), contact met huisartsen en geneesmiddelengebruik (ATC). PCS werd gedefinieerd als de aanwezigheid van ten minste één COVID-19-gerelateerde klacht drie maanden na de coronabesmetting, en/of de patiënt hinder ervaart en/of zelf vindt nog niet hersteld te zijn. We analyseerden de associatie tussen zowel geslacht als leeftijd en KvL en vergeleken KvL van patiënten met en zonder PCS. In vervolganalyses gaan we onderzoeken we welke klinische factoren uit de EPD-data, zoals comorbiditeiten en medicijngebruik, geassocieerd zijn met een lagere KvL bij patiënten met PCS.

Resultaten

442 patiënten uit 18 huisartsenpraktijken nemen deel aan het Nivel Corona Cohort. Daarvan hadden 178 (40,3%) PCS volgens de hierboven beschreven definitie. Eerste analyses laten zien dat zowel de mentale als de fysieke KvL van mensen met PCS drie maanden na de COVID-19 besmetting significant lager was (gemiddeld resp. 48,1 (SD 10,6) en 41,0 (SD 10,6), dan van mensen zonder PCS (resp. 54,7 (SD 5,9) en 53,6 (SD 4,7)). Er was na drie maanden geen statistisch significant verschil in KvL tussen mannen en vrouwen. De verlaagde fysieke en mentale KvL hield ook zes maanden na de COVID-19 besmetting nog aan bij mensen met PCS. Vrouwen met PCS hadden na 6 maanden een statistisch significant lagere fysieke KvL dan mannen (resp. 37,6 (SD 10,0) en 42,3 (SD 8,4)), maar niet een lagere mentale KvL. Oudere mensen met PCS hadden een betere mentale KvL na drie en zes maanden dan jongere mensen, er werd geen verschil geobserveerd in fysieke KvL tussen oudere en jongere mensen.

Conclusie

Aanhoudende klachten na een COVID-19 besmetting, oftewel PCS, hebben een langdurige invloed op de KvL. Het is belangrijk om hier aandacht aan de besteden in de zorg voor deze patiëntengroep. Koppeling van gegevens uit het EPD en vragenlijsten geeft meer inzicht in de factoren die hiermee samenhangen.

Inleiding

Sinds het begin van de COVID-19 pandemie is er veel veranderd in de organisatie van onze gezondheidszorg, waaronder de zorg op de huisartsenposten (HAP). Als de eigen huisartspraktijk gesloten is, in de avond, het weekend en ‘s nachts, kunnen patiënten met acute gezondheidsproblemen terecht bij de HAP. Baby’s, jonge kinderen en ouderen hebben relatief vaak contact met de huisartsenpost in vergelijking met andere leeftijdsgroepen. Door de COVID-19 pandemie en de daarmee samenhangende overheidsmaatregelen kan het zorggebruik op de HAP voor deze patiënten veranderd zijn.

Onderzoeksvraag

Hoe veranderde het zorggebruik op de HAP voor de jongste en de oudste patiënten tijdens de COVID-19 pandemie?

Methode

Het onderzoek is uitgevoerd met behulp van routinegegevens uit de elektronische patiëntendossiers van 60% van de huisartsenposten in Nederland, onderdeel van Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn (33 Huisartsendienstenstructuren met een verzorgingsgebied van 12 miljoen Nederlanders). Het wekelijkse zorggebruik op de HAP door patiënten van 0-4 jaar en voor patiënten ouder dan 70 jaar tijdens de COVID-19 pandemie (2020 en 2021) werd vergeleken met een jaar voor de COVID-19 pandemie (2019). Het zorggebruik is per week onderzocht voor het aantal contacten (telefonisch, consult op de HAP of visite) per 100.000 inwoners van het verzorgingsgebied. Voor deze patiëntengroepen werd ook nagegaan voor welke gezondheidsproblemen (aan de hand van ICPC-codes) zij contact hadden met de HAP.

Resultaten

Het zorggebruik op de HAP voor kinderen tussen de 0 en 4 jaar is drastisch gedaald, na een aanvankelijke piek van contacten toen de eerste besmettingen in Nederland bekend werden; tot max 60% minder contacten. In het voorjaar van 2021, wanneer de kinderdagverblijven en scholen werden heropend, nam het zorggebruik weer toe tot het niveau van 2019, rond de 1300 contacten per 100.000 inwoners van 0-4 jaar per week. Tijdens de coronapandemie was er vaker contact voor koorts, terwijl er minder vaak contact was voor oorontstekingen en gastro-intestinale infecties.

Bij ouderen was er geen verandering in het zorggebruik gedurende de gehele pandemie (rond de 700 contacten per 100.000 inwoners van 70+ per week). De redenen waarom ouderen contact hadden met de HAP veranderde wel. Er was vaker contact vanwege overlijden van de patiënt en vanwege benauwdheidsklachten.

Conclusie

De COVID-19 pandemie had grote gevolgen voor het zorggebruik op de HAP. Deze verschilden echter wel tussen de oudste en jongste patiënten. De grootste veranderingen in zorggebruik op de HAP tijdens de pandemie werden gevonden in de jongste patiënten. Voor zowel de jongste als de oudste patiënten was er een verandering in de acute gezondheidsproblemen waarvoor op de HAP kwamen. Een deel van de veranderingen kunnen gerelateerd worden aan de COVID-19 pandemie (zoals meer sterfte onder ouderen) en de daaraan gerelateerde overheidsmaatregelen (zoals minder infecties door sluiten van kinderdagverblijven en scholen).

Inleiding

De COVID-19-pandemie heeft veel veranderd in onze gezondheidszorg. Veel vragen die hier uit voortkomen kunnen beantwoord worden met gegevens die het zorgstelsel zelf genereert, bijvoorbeeld uit elektronische patiëntendossiers (EPD) uit de eerste als tweedelijns zorg. Door diverse bronnen van routine zorgdata te combineren kunnen veranderingen in zorggebruik en zorgpaden in kaart worden gebracht en kan er onderzoek worden gedaan naar mensen met aanhoudende klachten na een COVID besmetting (post-COVID-syndroom genoemd). Door de hoeveelheid van de gegevens kan daarnaast onderscheid gemaakt worden in diverse groepen in de samenleving.

Onderzoeksvraag

Hoe kunnen verschillende bronnen van routine zorgdata uit zowel de eerste als tweede lijn onderling gekoppeld worden om de gevolgen van de COVID-19-pandemie in kaart te brengen?

Methoden

Binnen twee verschillende, nog lopende, ZonMw onderzoeksprojecten, COVID-GP en Long-COVID MM, is een onderzoeksdata-infrastructuur ontwikkeld. Gegevens uit EPDs van de huisartsenzorg overdag worden verzameld binnen 1) Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn (NZR), 2) Academisch Huisarts Ontwikkel Netwerk (AHON; regio Noord-Nederland), 3) Family Medicine Network (FaMe-Net; regio Nijmegen) en 4) RegistratieNet Huisartsen (RNFM; regio Maastricht). Deze zijn samengebracht binnen de beveiligde omgeving van het CBS. In de eerste stap werd onderzocht of de verschillende bronnen van huisartsenzorg samen geanalyseerd kunnen worden, middels een validatie. In de validatie zijn praktijken vergeleken die in meerdere databases waren opgenomen voor bepaalde specificaties, zoals het aantal patiënten en het aantal consulten. Waar we verschillen vonden, zijn deze verder binnen het onderzoeksteam besproken en onderzocht om de reden te achterhalen. In de tweede stap koppelden we de gegevens van de huisartsenpraktijken op persoonsniveau aan routine zorgdata van de huisartsenposten (NZR), declaratiedata uit de tweedelijnszorg (Vektis), routine zorgdata uit de tweedelijnszorg (Dutch Hospital Data), en verschillende persoonskenmerken (CBS microdata). Daarnaast wordt in de toekomst gekoppeld aan verschillende COVID-19 databronnen, zoals GGD-testdata en vaccinatiedata.

Resultaten

De validatie van de verschillende databronnen gebaseerd op EPDs van huisartsen loopt nog (februari 2022). Verschillen tussen de huisartsenpraktijk databronnen zullen we verder onderzoeken op patiënt- en consultniveau voor de overlappende praktijken en waar mogelijk herleiden tot dataextractie-, dataschoning-, of kwaliteitskeuzes. Tegelijkertijd hebben we de aanvullende bronnen over de COVID-19-pandemie, tweedelijnszorg en persoonskenmerken aangevraagd om deze aan elkaar te koppelen binnen de CBS omgeving. Hiermee kunnen we onderzoek doen naar zorgpaden, uitgestelde/vermeden zorg en post-COVID-syndroom.

Conclusie

Routine zorgdata zijn bij uitstek geschikt om vraagstukken die de COVID-19-pandemie teweeg heeft gebracht te beantwoorden, omdat het veel gegevens bevat over een diverse populatie, over een langere periode. Bij het gebruik van deze gegevens is de kwaliteit- en de geschiktheid van de data van groot belang om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden. Hiermee is een onderzoeksdata-infrastructuur ontstaan waarmee een grote diversiteit aan onderzoeksvragen beantwoorden kan worden, nu en in de toekomst. In een vervolg onderzoek (GRIP3) zullen we tevens onderzoeken welke methodiek van het analyseren van registratie data voor welke onderzoeksvragen de voorkeur heeft: centraal (op één workspace, zoals CBS) of decentraal (per site)). We zijn benieuwd naar de mogelijkheden en de valkuilen die de aanwezigen zien? En welke mogelijkheden worden er gezien voor beleid?

Inleiding

Corona Virus Disease 2019 (COVID-19) werd in maart 2020 door de Wereldgezondheidsorganisatie uitgeroepen tot pandemie. Symptomen van COVID-19 lopen uiteen van keelpijn en hoesten, tot hypoxemie of zelfs overlijden. Mensen met diabetes mellitus type 2 (DM2) hebben een hoger risico op ernstige symptomen wanneer zij COVID-19 krijgen. Daarnaast is het waarschijnlijk dat de COVID-19 pandemie de manier waarop zorg werd verleend voor mensen met DM2 heeft veranderd. Mogelijk werden afspraken uitgesteld of afgezegd en werd er meer zorg op afstand verleend. Deze veranderingen kunnen invloed hebben op de ervaren zorg vanuit het perspectief van de zorgverleners en de mensen met DM2, maar ook op de glucoseregulatie.

Onderzoeksvraag

Wat is de invloed van de COVID-19 pandemie op de (ervaren) zorg voor mensen met DM2 in de eerste lijn?

Om bovenstaande te kunnen beantwoorden werd de onderzoeksvraag opgedeeld in twee subvragen:

  1. Hoe is de diabeteszorg tijdens de covid-19 pandemie ervaren door zorgverleners en mensen met DM2?
  2. Wat voor effect heeft de covid-19 pandemie gehad op de glucoseregulering van mensen met DM2?

Methode

Een cohort studie op basis van survey en routine zorg data. De survey werd verstuurd naar zorgverleners (huisartsen en praktijkondersteuners-somatiek) en mensen met DM2. Vragen voor zorgverleners waren gericht op de verandering van diabeteszorg tijdens de pandemie, effect op de werkdruk en ervaringen met videoconsultatie. De survey voor mensen met DM2 was gericht op de beleving van diabeteszorg (DTSQ) en welzijn (WHO-5) tijdens de COVID-19 pandemie. Daarnaast werden van de deelnemende mensen met DM2 de diabetes gerelateerde uitkomsten (o.a. HbA1c, glucose) uit het HuisartsInformatieSysteem (HIS) geëxtraheerd. Voor het analyseren van de survey vragen werd gebruik gemaakt van beschrijvende statistiek. De data verkregen uit het HIS wordt momenteel geanalyseerd.

Resultaten

In totaal hebben 69 zorgverleners en 145 mensen met DM2 de survey ingevuld. Van de zorgverleners gaf 89,9% aan dat diabetes gerelateerde vragen even snel beantwoord werden tijdens de pandemie als voor de COVID-19 pandemie. Wel gaf 65,2% van de zorgverleners aan dat een aantal van de mensen met DM2 tijdens de COVID-19 pandemie minder diabeteszorg heeft gekregen dan voor de pandemie. Daarentegen gaf 65,5% van de mensen met DM2 aan dat zij evenveel diabeteszorg ontvingen tijdens de pandemie als voor de COVID-19 pandemie. Zij waren tevreden over de verleende zorg (DTSQ: 27.8 (SD=6.61). De routine zorg data uit het HIS wordt momenteel nog geanalyseerd.

Conclusie

Tijdens de COVID-19 pandemie ervaarden zorgverleners dat zij minder zorg gaven aan een deel van de mensen met DM2. Deze perceptie werd niet gedeeld door de mensen met DM2 zelf. De meerderheid van de mensen met DM2 gaf aan evenveel zorg te hebben gekregen en tevreden te zijn over de zorg tijdens de COVID-19 pandemie.

Inleiding

De COVID-19 pandemie leidde tot grote veranderingen en verschillen in de huisartsenzorg. Ondanks de belangrijke rol van de huisarts in het Nederlandse zorgsysteem, is nog relatief weinig bekend over de exacte impact van de COVID-19 op zorggebruik in de huisartspraktijk. Ook data over het verschil in zorggebruik tussen gebieden met hoge en lage prevalentie van COVID-19 is schaars.

Onderzoeksvraag

Wat is de impact van de COVID-19 pandemie op het zorggebruik bij de huisarts in Nederland?

Methoden

In deze lopende population-based cohortstudie wordt gebruik gemaakt van data uit Huisarts Informatie Systemen (HIS) van huisartsenpraktijken die zijn aangesloten bij onderzoeksnetwerken (Universitair Medisch Centrum Groningen, Radboud Universiteit Nijmegen, Maastricht Universitair Medisch Centrum).

Er wordt gekeken naar de impact van de COVID-19 pandemie op het aantal contacten, type contact en reden voor contact. Hierbij het zorggebruik in 2020 en 2021, de jaren in de COVID-19 pandemie, vergeleken met 2019.

Resultaten

Na opschonen van de data werden er ruim 400.000 patiënten geïncludeerd. Voorlopige data laat in 2020 een afname van contacten met de huisarts/ praktijkondersteuner zien van zeven procent ten opzichte van 2019 (5341 contacten per 1000 patiënten in 2019 en 4982 contacten per 1000 patiënten in 2020). De afname in zorggebruik werd gezien op alle zorggebieden waaronder acute zorg, zorg voor langdurige reversibele ziekte en zorg voor chronisch irreversibele ziekte.

Het aantal fysieke contacten in 2020 nam af met 18% ten opzichte van 2019 (4192 fysieke contacten per 1000 patiënten in 2019 en 3450 fysieke contacten per 1000 patiënten in 2020). Het aantal telefonische en digitale contacten nam toe met 34% (1073 contacten per 1000 patiënten in 2019 en 1435 contacten per 1000 patiënten in 2020).

Data van 2021 en verschillen in zorggebruik per regio met hoge en lage prevalentie of COVID-19 gedurende de eerste golf van de pandemie volgt.

Conclusie

Gedurende de COVID-19 pandemie nam het zorggebruik door patiënten bij de huisarts af. Naast deze afname vond er een transitie plaats waarbij fysieke consulten voor een groot deel vervangen werden door telefonische of digitale consulten. Of dit verschilt per regio met hoge en lage prevalentie van COVID-19 wordt nog onderzocht.

Workshops

‘Van fouten maken kun je leren.’ Een uitspraak waar je het moeilijk mee oneens kunt zijn, en toch blijkt het in de praktijk niet zo eenvoudig. Meer dan ooit richten we ons op succes en zijn we erop ingesteld alle sporen van onze fouten en mislukkingen zo snel mogelijk uit te wissen. Onze angst voor mislukking kunnen belemmerend werken voor creatieve ideeën en innovatie. Maar juist in onze complexe en dynamische samenleving moeten we open staan voor gemaakte fouten en ze grondig analyseren om herhaling te voorkomen.
Paul vertelt hoe je vermijdbare mislukkingspatronen herkent, hoe je dankzij (briljante) mislukkingen je kennis continu vergroot en hoe je beter om kunt gaan met onzekerheden. Deze workshop laat je zien dat iedereen kan innoveren en dat een onbelemmerde toekomst mogelijk is!

Parallelsessie 2

Voordrachten 1

Inleiding

‘Samen leren en verbeteren’ staat centraal in het kwaliteitsbeleid zoals verwoord in de nota “kwaliteitsbeleid in de huisartsenzorg“ van NHG, InEen en LHV). Sinsdien is leren van spiegelinformatie nog belangrijker geworden. Het ontwikkelen van intercollegiale spiegelinformatie met recente gegevens uit het huisartseninformatiesysteem (HIS) en het effectief bespreken daarvan en het opstellen en volgen van verbeteracties, vraagt om een systematische aanpak. Het ontwikkelen en evalueren van die methodiek is wat de Amsterdamse Huisartsenalliantie en de afdeling huisartsgeneeskunde van Amsterdam UMC zich tot doel stellen in het door Zilveren Kruis gefinancierde project Spiegelaar: SPIEGelinformatie voor de Eerste Lijn in de Amsterdam Regio.

Onderzoeksvraag

Op welke cyclische wijze en met welk type vraagstellingen kunnen huisartsen aan de hand van spiegelinformatie uit het HIS, systematisch werken aan kwaliteitsverbetering van zorg in wijkgerichte intercollegiale toetsgroepen? Wordt deze methodiek door huisartsen als inspirerend en zinnig beoordeeld en leidt het ook tot voorgenomen verandering in hun gedrag e/o verbetering van de patiëntenzorg?

Methode

Participatief actieonderzoek in het academisch netwerk huisartsgeneeskunde Amsterdam UMC (ANHA), waarin de methodiek ontwikkeld en uitgeprobeerd wordt met wijkgroepen, gecombineerd met een effectevaluatie (ervaren nut en inspiratie, verbetering) en een procesevaluatie geënt op de Normalisation Process Theory. Hierbij wordt ook geanticipeerd op uitgebreidere implementatie in de toekomst. Gegevens voor deze evaluaties worden verzameld tijdens de wijkgroep bijeenkomsten (observatieverslagen, evaluatievragenlijsten) en tijdens projectgroep bijeenkomsten, hetzij met bestuurlijke afvaardiging hetzij met huisarts-vertegenwoordigers uit elke wijkgroep.

Resultaat

In de eerste fase is een concept methodiek ontwikkeld en toegepast in 5 wijkgroepen. De methodiek bleek goed toepasbaar en de spiegelinformatie werd door de huisartsen positief beoordeeld in bestaande intercollegiale toetsgroepen (FTO, HAGRO, wijkgroep, DTO). Op basis van een voor-na vergelijking met nog beperkte aantallen, werden concrete verbeteringen geobserveerd in lijn met de door hen voorgenomen acties. In de lopende tweede fase wordt deze methodiek verder ontwikkeld en geëvalueerd op basis van eerdere lessen en nieuwe bevindingen door toepassing in 7 wijkgroepen.

Conclusie

Volgt, onderzoek loopt nog.

Inleiding

Het tijdig integreren van nieuwe ontwikkelingen en inzichten in richtlijnen is uitdagend door de doorgaans lange herzieningscyclus van richtlijnen. Versnelde ontwikkeling of herziening van richtlijnaanbevelingen biedt een uitkomst maar kan niet te pas en te onpas worden ingezet. Uit recent onderzoek blijkt dat circa 70% van de richtlijnmakers verwacht dat er ook na de COVID-19 pandemie een toenemende behoefte blijft aan versnelde ontwikkeling van richtlijnen. Ook vanuit de medische praktijk en de maatschappij wordt de roep om snellere duiding bij nieuwe ontwikkelingen steeds luider. Veel richtlijnorganisaties worstelen met de besluitvorming in welke situaties een versnelde herziening van een richtlijnaanbeveling nodig is en welke factoren (‘triggers’) daarbij een rol spelen. Een efficiënte en adequate inschatting van waar de inspanningen van richtlijnmakers zich op moeten richten kan helpen om sneller zinnige aanbevelingen te kunnen doen over alle nieuwe ontwikkelingen in de zorg.

Onderzoeksvraag

in dit onderzoek wordt bepaald welke triggers indicatief zijn voor een urgente behoefte aan versnelde ontwikkeling (of herziening) van een richtlijnaanbeveling en een praktische checklist gepresenteerd om richtlijnontwikkelaars te helpen bij de besluitvorming.

Methode

We voerden een Modified Delphi-procedure uit met behulp van een panel van richtlijndeskundigen, clinici uit de eerste en tweede lijn, en patiëntvertegenwoordigers. De resultaten van een systematisch literatuuronderzoek en semi-gestructureerde interviews met vier wetenschapsjournalisten werden gebruikt om de lijst met mogelijke items voor de checklist te genereren. Deze lijst werd voorgelegd aan het Delphi-panel voor selectie en herformulering van items tot een werkbare checklist.

Resultaat

Dertien experts namen deel aan de Delphi-procedure. Er zijn twee elektronische vragenlijsten ingevuld waarin deelnemers alle potentiële items scoorden op relevantie. Tijdens twee onlinebijeenkomsten zijn alle items besproken, irrelevante items verwijderd, en relevante items herschikt en geherformuleerd. De initiële lijst van 86 items werd in de uiteindelijke checklist (‘Quickscan’) teruggebracht tot zeven items. Deze hebben betrekking op: 1) gebruikersperspectief, 2) wetenschappelijk bewijs, 3) klinische relevantie, 4) klinische praktijkvariatie, 5) toepasbaarheid, 6) kwaliteit van zorg en volksgezondheid, en 7) ethische/juridische overwegingen.

Conclusie

De Quickscan checklist kan door richtlijnontwikkelaars worden gebruikt om systematisch de noodzaak te bepalen voor versnelde ontwikkeling van een richtlijnaanbeveling. Toekomstig onderzoek zou zich kunnen richten op de validiteit en toepasbaarheid van de checklist in de praktijk.

Inleiding

Bij veel werkenden die de huisarts bezoeken bestaat er een relatie tussen hun gezondheidsklacht en hun werk en vaak is sprake van werkgerelateerde psychische klachten. Huisartsen dienen daarom op de hoogte zijn van het werk van patiënten en na te gaan of klachten een relatie hebben met werk. In de huidige praktijk gebeurt dit lang niet altijd. In een training kregen huisartsen handvatten om meer structureel aandacht te besteden aan het werk van patiënten. Het effect onderzochten we met behulp van een cluster RCT.

Onderzoeksvraag

We onderzochten de volgende vragen:

  1. Gaan huisartsen na de training vaker informatie over werk noteren en gebruik maken van ICPC-code Z05 (“werkgerelateerde problemen”)?
  2. Leidt de training bij patiënten tot gunstigere verwachtingen omtrent hun vermogen om te werken – gemeten met een self-efficacy schaal (WR-SE)?

Methode

Cluster RCT met huisartsen in interventie- en controlegroep. Interventiegroep volgde een training van 5 uur met lezingen en workshops, onder andere over een activerende aanpak bij overspanning. Na drie maanden volgde nog een boostertraining van 2 uur.

Patiënten inclusiecriteria: leeftijd 18-63 jaar; minstens 12 uur betaald werk/week; voldoende kennis van de Nederlandse taal en informed consent. Dataverzameling verliep via enquêtes ingevuld na inclusie en na minstens een jaar (patiëntgegevens) en via data-extracties uit het HIS tijdens praktijkbezoeken (huisartsgegevens).Statistische analyse vond plaats met behulp van multilevel ANCOVA. Vanwege te verwachten verschillen tussen subgroepen vond een secundaire hypothese genererende subgroep analyse plaats. Tenslotte werd in de dataset onderzocht welke factoren bij baseline samenhingen met verzuim tijdens de follow up periode.

Resultaat

Aanvankelijk namen 32 huisartsen werkzaam in 26 praktijken deel. Gezamenlijk includeerden zij 640 patiënten die een bruikbare eerste enquête inleverden; van 281 van hen waren gegevens beschikbaar voor follow up.

Er werd geen statistisch significant verschil gevonden in de gekozen uitkomstmaten (Interventiegroep (I): WR-SE 4,6 (4,2-5,0); Controlegroep (C): 4,5 (4,1-4,9). Er was in beide groepen huisartsen een sterke toename van het noteren van informatie over werk (I: 13,9% naar 28,8%; C: 14,7% naar 28,6%) en gebruik van de ICPC-code Z05 (I: 3,7‰ naar 11,6 ‰; C: 4,8‰ naar 6,0‰).

De subgroep analyse liet een verschil zien ten gunste van de interventiegroep bij patiënten die de huisarts 3 keer of vaker hadden bezocht in de 6 maanden voor inclusie (I: 4,9 (4,4-5,3) n=51; C: 4,1 (3,6-4,6) n=56). Er was een positieve associatie zien tussen verzuim en de volgende factoren: een leeftijd boven de 50, verzuim, chronische ziekte en lage verwachtingen wat betreft kunnen werken (WR-SE ≤ 5,0).

Conclusie

Onze interventie was niet effectief. Ons onderzoek vergroot het inzicht in informatie die huisartsen kunnen gebruiken om de kans op werkgerelateerde kwetsbaarheid te schatten. Het is goed als ze van deze informatie gebruik maken, werk bespreken met patiënten en hun bevindingen vastleggen in het dossier.

Inleiding

Patiënten komen bij de huisarts vaak met symptomen in de vroege fase van een ziekte. Dit maakt dat het stellen van de diagnose als huisarts uitdagend kan zijn. Predictiemodellen kunnen de huisarts daarbij potentieel ondersteunen, omdat deze op basis van patiëntfactoren kunnen voorspellen hoe hoog de kans op een specifieke diagnose is. De meeste onderzoeken naar de voorspellende waarde van patiëntfactoren op de einddiagnose analyseren de symptomen van de patiënt zoals deze zijn genoteerd door de dokter (dokter gericht). Echter, het is nog interessanter om de voorspellende waarde te achterhalen van datgene wat de patiënt aan het begin van het consult spontaan tegen de huisarts zeg, zonder inmenging van de huisarts. Dit stukje anamnese is namelijk volledig van de patiënt zelf (patiënt gericht). Dit heet ook wel de Reason for encounter (RFE, reden van komst). De RFE kan gepresenteerd worden als symptoom, diagnose of als vraag om een diagnostische of therapeutische interventie. Er is nog te weinig bekend over de voorspellende waarde van de RFE. Eerder onderzoek liet zien dat sommige RFE’s een voorspellende waarde hebben op het diagnosticeren van kanker.

Onderzoeksvraag

Het doel van dit onderzoek is om de voorspellende waarde van de RFE op de einddiagnose te analyseren, gerelateerd aan leeftijd en geslacht van de patiënt.

Methode

We verrichtten een retrospectief cohort onderzoek met data van een eerstelijns registratie netwerk (Family Medicine Network (FaMe-Net; 7 huisartspraktijken)). In deze database leggen huisartsen sinds 1971 alle contacten met patiënten gecodeerd vast in een episodestructuur volgens de ICPC-2. De huisartsen coderen bij ieder contact de RFE, diagnose, en diagnostische en therapeutische interventies. Voor dit onderzoek gebruikten we data van 1989 tot 2020. We analyseerden de top 10 meest voorkomende RFE’s met de bijbehorende episodes. Door middel van multilevel en distributie analyses bekeken we de relatie tussen de RFE, leeftijd en geslacht van de geïncludeerde patiënten. Daarnaast keken we naar de meest voorkomende combinaties van RFE’s en de invloed daarvan op de einddiagnose.

Resultaten

We includeerden in totaal 162.315 contacten van 37.194 patiënten. Hiervan was 41,5% man en de gemiddelde leeftijd was 36 jaar. Hoesten was de meest voorkomende RFE (21,8%). Multilevel analyse liet zien dat een tweede RFE significante invloed had op de kansen op einddiagnoses. Als een patiënt zich bijvoorbeeld presenteert met de RFE hoest, dan is er 5,6% kans op een pneumonie, deze kans stijgt naar 16,4% als de patiënt daar ook koorts bij noemt. Leeftijd had voor elke RFE een significant effect op de einddiagnose. Ook geslacht had voor elke RFE een significant effect op de einddiagnose, behalve bij de RFE’s koorts en keelklachten.

Conclusie

Dit onderzoek onderbouwt dat RFE, leeftijd en geslacht van de patiënt significante invloed hebben op de einddiagnose. Wij denken dat ook andere patiënt- en contextvariabelen belangrijke voorspellende waarde hebben. Om al deze variabelen uit te bouwen tot een diagnostisch predictiemodel kan kunstmatige intelligentie gebruikt worden. Een dergelijk predictiemodel kan ondersteuning bieden aan het diagnostisch proces in de spreekkamer en gebruikt worden voor training van studenten en huisartsen in opleiding.

Voordrachten 2

Inleiding

Het voorschrijven van antibiotica volgens huidige richtlijnen is belangrijk om antibioticaresistentie te verminderen. Nederlandse huisartsen schrijven relatief weinig antibiotica voor in vergelijking met huisartsen in andere landen. Toch is er ook in Nederland ruimte voor verbetering. In dit project ontwikkelen we daarom een eerstelijns antibiotica-scan waarmee we inzoomen op specifieke diagnoses en kijken naar de keuze, duur en dosering van het voorgeschreven antibioticum, in vergelijking met de geldende richtlijnen. Met deze scan vullen we kennislacunes op het gebied van voorschrijven van antibiotica in de huisartsenpraktijk en op de huisartsenpost.

Onderzoeksvraag

In hoeverre kunnen HIS-gegevens helpen om inzicht te verkrijgen in voorschrijfpatronen en verbetermogelijkheden? Voor welke diagnoses is verbetering mogelijk in het voorschrijven van antibiotica in de huisartspraktijk en op de huisartsenpost volgens richtlijnen?

Methode

We screenden NHG-standaarden en behandelrichtlijnen op adviezen over het voorschrijven van systemische antibiotica bij specifieke indicaties en ontwikkelden op basis hiervan indicatoren op 1) of antibiotica geïndiceerd waren en 2) de keuze, duur en dosering van het antibioticum. We berekenden de indicatoren apart voor geselecteerde ICPC-diagnoses (op gebied van spijsverteringsorganen, oor, luchtwegen, huid, urinewegen en geslachtsorganen aangevuld met de ziekte van Lyme, mastitis en koorts) en voor subgroepen van patiënten (bijv. leeftijd, geslacht en verminderde afweer). We gebruikten routine zorggegevens uit Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn van 350 huisartsenpraktijken en 27 huisartsenposten om de indicatoren te berekenen. Ook bepaalden we de variatie tussen praktijken en posten met behulp van multi-level analyse gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht van patiënten. Daarnaast verrichtten we context-analyses, om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de registratie van diagnoses en de registratie van meetwaarden, zoals urinekweken.

Resultaat

We selecteerden 35 NHG-standaarden en behandelrichtlijnen met adviezen over het al dan niet voorschrijven van systemische antibiotica en ontwikkelden indicatoren. Hier presenteren we de eerste resultaten over urineweginfecties. Deze laten grote verschillen zien tussen praktijken in voorschrijven van antibiotica bij urineweginfecties bij gezonde, niet zwangere vrouwen (95% CI voor praktijken: 50,2-80,0% van de vrouwen met een urineweginfectie kreeg een antibioticum voorgeschreven). De meeste patiënten met een urineweginfectie krijgen een eerste keuze antibioticum, maar bij mannen en kinderen is hierin grote praktijkvariatie. Er was ook veel variatie tussen praktijken in het percentage patiënten dat een antibioticum kreeg voorgeschreven bij pijnlijke en frequente mictie. Uit de context-analyses bleek dat deze verschillen verklaard kunnen worden door verschillen tussen praktijken in de registratie van urineweginfectie gerelateerde ICPC-codes.

Conclusie

HIS-gegevens helpen om inzicht te verkrijgen in voorschrijfpatronen en verbetermogelijkheden te signaleren. Voor een juiste interpretatie van de uitkomsten is het belangrijk om ook te kijken naar verschillen in registratie tussen praktijken. De belangrijkste uitkomsten van de scan worden verwerkt in feedback voor huisartsenpraktijken en regionale zorgnetwerken. De ontwikkelde scan kan ingezet worden om toekomstige interventies in de huisartsenpraktijk en op de huisartsenpost die gericht zijn op het verminderen van antibiotica resistentie te evalueren.

Inleiding

Bij kwetsbare ouderen is een urineweginfectie de meest voorkomende reden om antibiotica voor te schrijven. Vaak is deze verdenking op een urineweginfectie gebaseerd op aspecifieke klachten, zoals verwardheid of stinkende urine. De nieuwste richtlijnen adviseren hierbij juist om terughoudend te zijn met antibiotica, vanwege de hoge prevalentie van asymptomatische bacteriurie. Wij presenteren voorlopige resultaten van ons onderzoek waarin we onnodig antibioticagebruik voor urineweginfecties bij kwetsbare ouderen probeerden te verminderen.

Onderzoeksvraag

Wat is het effect van de implementatie van een antibiotic stewardship interventie op antibioticagebruik voor urineweginfecties bij kwetsbare ouderen?

Methode

We hebben een pragmatisch cluster-gerandomiseerd onderzoek uitgevoerd bij huisartsenpraktijken en ouderenzorgorganisaties in Nederland, Noorwegen, Zweden en Polen. De interventiegroep kreeg een antibiotic stewardship interventie aangeboden. Deze bestond uit een beslishulp over het voorschrijven van antibiotica, met daarnaast een toolbox met onderwijsmaterialen. We hebben deze interventie geïmplementeerd met behulp van participatief-actie-onderzoek; huisartsen en zorgpersoneel kregen scholing en hebben daarnaast zelf meegedacht over implementatie in hun dagelijkse praktijk. In de controlegroep was de zorg als gebruikelijk. Dataverzameling vond plaats gedurende een voormeting van 5 maanden en een nameting van 7 maanden (tussen September 2019 – Juli 2021). Tussendoor werd de interventie geïmplementeerd. In maart 2020 heeft het onderzoek 6 maanden stilgestaan vanwege de COVID-19 pandemie. De primaire uitkomstmaat was het aantal antibioticavoorschriften voor een verdenking urineweginfectie, geregistreerd tijdens de nameting. In de statistische analyse hebben we een lineair mixed model voor negatieve binomiale distributies gebruikt, waarbij we hebben gecorrigeerd voor de voormeting en voor clustering binnen deelnemers en zorgorganisaties.

Resultaat

In totaal hebben 39 clusters (huisartspraktijken en bijbehorende ouderenzorgorganisaties) met 1151 kwetsbare ouderen (Nederland: 252, Noorwegen: 304, Zweden: 220 Polen: 375) deelgenomen aan het onderzoek. In de analyse hebben we 19 clusters (502 deelnemers) in de interventiegroep en 19 clusters (539 deelnemers) in de controlegroep geïncludeerd. In de interventiegroep werden 54 antibioticakuren voorgeschreven per 202 patient-jaren, en in de controlegroep 121 antibioticakuren per 209 patient-jaren. Uit de analyse bleek dat het aantal antibioticakuren voor een urineweginfectie in de interventiegroep 0.41 keer (rate ratio met 95% betrouwbaarheidsinterval 0.25 – 0.65, p<0.001) zo groot was als in de controlegroep. Er kwamen niet meer complicaties en ziekenhuisopnames voor in de 3 weken na een verdenking van een urineweginfectie in de interventiegroep. Ook was de mortaliteit niet hoger vergeleken met de controlegroep.

Conclusie

Voorlopige resultaten laten zien dat implementatie van een antibiotic stewardship interventie in huisartsenpraktijken en ouderenzorgorganisaties leidt tot een daling in het antibioticagebruik voor urineweginfecties bij kwetsbare ouderen.

Inleiding

Asymptomatische bacteriurie (ASB) is het vóórkomen van bacteriën in een urinekweek van iemand die geen klachten heeft van een urineweginfectie (UWI). Bij patiënten ouder dan 70 jaar, mensen met een urinekatheter en mensen met diabetes mellitus is de prevalentie van ASB het hoogst. Antibiotische behandeling van ASB wordt in zowel internationale als nationale richtlijnen bijna altijd afgeraden, omdat patiënten hier geen klinisch voordeel bij hebben. Bovendien kan niet-gepaste behandeling met antibiotica tot nadelige effecten leiden, zoals bijwerkingen en toename in antimicrobiële resistentie. Desondanks wordt ASB nog vaak met antibiotica behandeld in ziekenhuizen en verpleeghuizen. Het is echter nog onduidelijk hoe vaak ASB in de huisartsenpraktijk voorkomt en hoe er met ASB wordt omgegaan in de huisartsenpraktijk.

Onderzoeksvraag

Wat zijn bevorderende en belemmerende factoren voor gepaste urinediagnostiek en overbehandeling van ASB bij huisartsen?

Methode

Een digitale vragenlijst werd van oktober tot en met december 2020 verspreid onder 900 huisartsenpraktijken in Nederland. De vragenlijst was verdeeld in stellingen over ASB, een kennisvraag over ASB met 5 voorbeeldcasussen en vragen over de huidige praktijk met betrekking tot urinediagnostiek en de behandeling van patiënten met ASB of een UWI. Vragenlijsten zonder informed consent en vragenlijsten waarin alleen baseline karakteristieken waren beantwoord werden geëxcludeerd.

Resultaten

De resultaten van dit onderzoek zijn in januari 2022 gepubliceerd in het tijdschrift ‘Antibiotics’. In totaal werden er 99/132 vragenlijsten geanalyseerd. Alle huisartsen waren het eens met de stellingen over of zij voldoende kennis en zelfvertrouwen hadden bij het aanvragen en interpreteren van urineonderzoeken en de behandeling van ASB. De mediaan van de score op de kennisvraag was 4 uit 6 (IQR 2-6). Echter, 71 van de 94 (75.5%) huisartsen zouden patiënten met diabetes behandelen voor ASB, terwijl dit niet het advies volgens de richtlijnen is. In 97.8% van de huisartsenpraktijken werden symptomen van patiënten gerapporteerd bij het inzetten van urinediagnostiek. Voor de keuze van het urineonderzoek en het daaropvolgende beleid werd de NHG standaard Urineweginfecties gebruikt. De meeste huisartsen rapporteerden gepaste indicaties voor het inzetten van urineonderzoeken. Gepaste indicaties waren dysurie, pollakisurie, hematurie en loze aandrang (86/87; 98.9%), delier (84/87; 96.6%), urine incontinentie (68/87; 78.2%), urogenitale klachten na recent urinekatheter gebruik (78/87; 89.7%), urogenitale klachten na een recente UWI (84/87; 96.6%) en koorts zonder duidelijke focus (80/87; 92%). Desondanks zouden 32 van de 87 (37%) huisartsen een urineonderzoek herhalen na de behandeling van een UWI. Verder vond een derde van de huisartsen dat ASB onvoldoende werd toegelicht in de NHG Standaard Urineweginfecties.

Conclusie

De resultaten van onze studie laten zien dat de meeste huisartsen urindiagnostiek inzetten voor gepaste indicaties. Echter, de kennis over ASB zou kunnen worden verbeterd onder huisartsen in Nederland. Dit geldt vooral voor patiënten met diabetes en ASB en voor het herhalen van een urineonderzoek na een UWI. Om het gebruik van de richtlijn voor patiënten met ASB te verbeteren zou het beleid bij ASB ook in de samenvatting van de NHG Standaard Urineweginfecties kunnen worden opgenomen.

Inleiding

Het is moeilijk voor de huisarts om acute appendicitis bij kinderen met acute buikpijn te herkennen of onwaarschijnlijk te maken. In de tweede lijn zijn hiervoor predictieregels ontwikkeld en gevalideerd. Een dergelijke klinische predictieregel in de eerste lijn zou kunnen helpen bij deze diagnostische uitdaging.

Onderzoeksvraag

Hoe goed kan een nieuw te ontwikkelen en te valideren diagnostisch model het risico op acute appendicitis stratificeren bij kinderen met acute buikpijn in de eerste lijn?

Methode

Dit is een retrospectieve cohortstudie. De Integrated Primary Care Information (IPCI) database, met data van het Huisartsinformatiesysteem van 621 huisartsen, werd gebruikt om informatie over voorspellers en de uitkomst -een diagnose acute appendicitis, gerapporteerd door de medisch specialist-, te verzamelen.

Kinderen van 4-18 jaar met acute buikpijn (≤7 dagen) van 2010 – 2012 en van 2013 – 2016 werden ingedeeld in respectievelijk het ontwikkel- en validatiecohort

Multivariabele logistische regressie werd gebruikt om een predictiemodel te ontwikkelen gebaseerd op zeven symptomen die gebruikt worden in bestaande tweedelijns beslisregels. Het model werd na ontwikkeling intern gevalideerd door middel van bootstrapping en daarna gecorrigeerd voor optimisme. De externe validatie ten aanzien van het onderscheidend vermogen (C-statistiek) en de kalibratie van het model (grafisch) werd gedaan in een separaat cohort. Een puntenscore werd ontwikkeld om het risico te stratificeren in drie groepen, gebaseerd op een sensitiviteit van 0,95 voor de laag-risicogroep en een specificiteit van 0,95 voor de hoog-risicogroep.

Resultaten

De studie is recent afgerond. Het ontwikkel- en validatiecohort bestond uit 2041 en 3650 kinderen, van wie er respectievelijk 95 (4,6%) en 195 (5,3%) acute appendicitis hadden. Zeven voorspellers werden in het model opgenomen: mannelijk geslacht (2 punten), duur van de klachten (korter dan 24 uur: 1 punt), 24–48 uur (2 punten), misselijkheid/braken (2 punten), verhoogde temperatuur (1 punt), abnormale peristaltiek (1 punt), drukpijn rechtsonder (5 punten) en peritoneale prikkeling (4 punten). Na correctie voor optimisme, waarbij de regressiecoëfficiënten werden vermenigvuldigd met 0.954, maakte het model goed onderscheid tussen kinderen met en zonder appendicitis, met C-statistieken van 0,93 en 0,90 bij respectievelijk in- en externe validatie, waarbij de kalibratie uitstekend was. In de laag- (≤7 punten), midden- (8-13 punten) en hoog-risicogroep (≥14 punten) was het risico op acute appendicitis respectievelijk 0,5%, 7,5% en 41%.

Conclusie

Een diagnostisch model om het risico op appendicitis te stratificeren in drie groepen werd ontwikkeld en gevalideerd. Voor kinderen in de laag-risicogroep adviseren we een vangnetadvies, in de middengroep nadere evaluatie in de eerste of tweede lijn en in de hoog-risicogroep verwijzing naar de tweede lijn. Impactstudies zijn nodig om te evalueren of deze strategie het diagnostisch proces van de huisarts op een veilige manier kan verbeteren.

Pecha Kucha’s 1 (Nederlands)

Inleiding

Stress urine incontinentie (SUI) is een veelvoorkomend probleem onder vrouwen en heeft een impact op fysieke en mentale gezondheid. Ehealth met bekkenbodemspieroefeningen is een bewezen effectieve behandeling in het verminderen van klachten. Voor de implementatie van eHealth is het belangrijk om te weten hoe en door wie de interventie gebruikt wordt. Dit geeft huisartsen de mogelijkheid om eHealth gericht aan te bieden.

Onderzoeksvraag

Het doel van deze studie is tweevoudig, namelijk (1) het evalueren van het gebruik van een eHealth interventie voor vrouwen met SUI en (2) het bestuderen van factoren die geassocieerd zijn met gebruik.

Methode

In deze observationele retrospectieve studie werden login en survey data van deelnemers aan de eHealth interventie ‘baasoverjeblaas.nl’ bestudeerd. Vrouwen meldden zich zelfstandig aan op de website en volgden gedurende drie maanden een online programma met stapsgewijs opgebouwde bekkenbodemspieroefeningen. Deelnemers werden verdeeld in drie gebruikersgroepen (low, intermediate, high users). We vergeleken deze groepen op sociodemografische en incontinentie gerelateerde variabelen. Nominale logistische regressie analyse werd gebruikt om te onderzoeken welke factoren geassocieerd zijn met eHealth gebruik.

Resultaat

Er werden 561 deelnemers geïncludeerd, 46 non-users en 515 users, met een gemiddelde leeftijd van 50.3 jaar (12.1 SD). De meerderheid had matige tot ernstige vorm van incontinentie. Twee-derde had voor incontinentie nooit een zorgprofessional bezocht. De meerderheid was low user (57.3%), gevolgd door intermediate users (25.8%) en high users (16.9%). Leeftijd verschilde significant tussen de gebruikersgroepen (48.3 yrs (12.0 SD), 52.1 (11.6 SD) en 55.3 (10.9SD) voor low, intermediate en high users respectievelijk, P< 0.001). Ook de verwachting over het trainen van de bekkenbodemspieren verschilde significant (7.5 (1.4SD), 7.7 (1.4SD), 8.1 (1.5SD), P=0.006). In de multivariate analyse bleken leeftijd, eerdere bekkenbodemspiertraining en verwachtingen over het trainen van de bekkenbodemspieren geassocieerd te zijn met eHealth gebruik.

Conclusie

Het gebruik van eHealth voor vrouwen met stress incontinentie kenmerkt zich door een grote groep low users, mensen die vroegtijdig stoppen met het programma. eHealth gebruik is geassocieerd met leeftijd, eerdere bekkenbodemspiertraining en met verwachtingen over het trainen van de bekkenbodemspieren. Vrouwen boven de 50 jaar zijn vaker frequente gebruikers en dit is in tegenstrijdig met de assumptie van huisartsen dat eHealth alleen voor de “jongere” patiënten geschikt is. Toekomstige aanpassingen aan de eHealth interventie kunnen het gebruik vergroten. Aandacht voor het verbeteren van een online, self-management behandeling, voor vrouwen met stressincontinentie is een belangrijke stap om hen de mogelijkheid te geven iets aan dit probleem te doen.

Inleiding

Eczeem komt veel voor bij kinderen en de meeste kinderen kunnen door de huisarts behandeld worden. Verschillende factoren kunnen de behandelstrategie van de huisarts beïnvloeden en kunnen leiden tot een minder effectieve behandeling.

Onderzoeksvraag

Het doel is om inzicht te krijgen in het behandeldoel, de behandelstrategie, de uitleg en het advies van huisartsen voor kinderen met eczeem. Verder willen we onderzoeken welke factoren een rol spelen bij de keuze voor behandeling met lokale corticosteroïden.

Methode

Semi-gestructureerde interviews met huisartsen werden opgenomen en getranscribeerd. De gegevens werden geanalyseerd volgens de zes stappen van inductieve thematische analyse.

Resultaat

We hebben 16 huisartsen geïnterviewd. Huisartsen vertelden dat het behandeldoel met betrekking tot eczeem vooral gericht is op de korte termijn, om het kind klachtenvrij te krijgen. Huisartsen bespraken het belang van het gebruik van indifferente middelen en benadrukten dat indifferente middelen de basis van de behandeling vormen. We ontdekten dat verschillende factoren, onderverdeeld in patiënt, ouder, huisarts, apotheek en economische factoren, een rol speelden bij het voorschrijven van lokale corticosteroïden. Al deze factoren kunnen van invloed zijn op de behandelstrategie van de huisartsen of ze starten met lokale corticosteroïden en zo ja, welke klasse of -type (crème of zalf). Uiteenlopende factoren zijn onder meer: ​​ernst van het eczeem, leeftijd van het kind, huidtype, angst voor corticosteroïden bij ouders en huisartsen, ervaring met bijwerkingen van lokale corticosteroïden en dermatologische ervaring. Huisartsen gaven aan beperkt advies te geven over het gebruik van lokale corticosteroïden. Meer dan een derde van de huisartsen schreef orale antihistaminica voor als kinderen last hadden van jeuk en slaapgebrek. Huisartsen met meer dermatologische ervaring schrijven soms lokale calcineurineremmers voor.

Conclusie

Verschillende factoren lijken de behandelstrategie van huisartsen voor kinderen met eczeem te beïnvloeden. Meer aandacht en voorlichting over het gebruik en de veiligheid van lokale corticosteroïden bij kinderen tijdens de huisartsopleiding, nascholing en een betere implementatie van de richtlijn zijn nodig en kunnen leiden tot meer vertrouwen en kennis over lokale corticosteroïden bij huisartsen. Dit kan uiteindelijk zorgen voor het verbeteren van zelfmanagement van kinderen met eczeem.

Introductie

Onychomycose wordt beschouwd als een klinische diagnose. De huidige richtlijn adviseert alleen aanvullend onderzoek te verrichten bij twijfel of onvoldoende effect en niet meer standaard voorafgaand aan het starten van orale behandeling. De vraag is in hoeverre de huisarts onychomycose correct diagnosticeert o.b.v. het klinisch beeld alleen.

Onderzoeksvraag

Wat is de positief voorspellende waarde van de klinische diagnose door de huisarts van onychomycose in de eerste lijn t.o.v. aanvullend onderzoek?

Methode

In het kader van de Onycho Trial, een lopend onderzoek naar de effectiviteit van lokale behandeling (miconazol of amorolfine versus placebo) in de eerste lijn, werd bij 137 kandidaten de diagnostische waarde van klinische diagnose door de huisarts aan de hand van de afgegeven diagnose (index test) onderzocht t.o.v. de bevindingen van het aanvullend onderzoek (combinatie van KOH, PCR en kweek) (de referentietest). De invloed van verzamelde klinische factoren op de positief voorspellende waarde van de klinisch diagnose, werd onderzocht m.b.v. een logistische regressie analyse.

Resultaat

De positief voorspellende waarde van de klinische diagnose door de huisarts was 74.5%. Mutlivariate logistische regressie analyse toonde een significant effect van vrouwelijk geslacht en eerdere behandeling met een OR van 0.258 (95% CI 0.08-0.81, p-waarde 0.021) en een OR van 4.02 (95% CI 1.08-15.04, p-waarde 0.039), respectievelijk.

Conclusie

Dit onderzoek laat een bescheiden positief voorspellende waarde zien van de klinische diagnose door de huisarts met een aanzienlijke kans op vals positieve diagnosen. Bij vrouwen is de kans op vals positieven hoger; eerdere behandeling verlaagt deze juist. Doordat de gegevens zijn verzameld in het kader van een gerandomiseerd interventieonderzoek, kan er sprake zijn van observer bias met mogelijk overdiagnostiek tot gevolg. Desalniettemin is het goed om de kans op vals positieve diagnosen in het achterhoofd te houden bij de overweging van orale behandeling en wellicht ook bij lokale behandeling aangezien deze vaak voor langere tijd moet worden toegepast.

Inleiding

Antipsychotica worden in 55% van de gevallen door de huisarts voorgeschreven. Vaak zijn dit herhaalrecepten die zij overnemen van de psychiater. Soms starten ze het zelf, bijvoorbeeld off label voor slaapproblemen.

Chronisch gebruik van antipsychotica kan leiden tot ernstige bijwerkingen, zoals metabool syndroom waardoor een verhoogd risico op hart- en vaatziekten ontstaat. Daarom zouden huisartsen patiënten regelmatig moeten controleren op het ontstaan van bijwerkingen en inschatten of deze opwegen tegen de voordelen. Structurele controle bij antipsychoticagebruik is echter niet gebruikelijk in de eerste lijn.

In deze pilotstudie onderzoeken wij de haalbaarheid van een interventie om onnodig gebruik van antipsychotica te verminderen en het risico op hart- en vaatziekten te verlagen.

Onderzoeksvraag

Welk percentage van de doelgroep neemt deel aan de interventie, welk percentage van de deelnemers doorloopt alle stappen en welke adviezen krijgen zij?

Methode

In een prospectieve cohortstudie in 2021 werden data verzameld van drie huisartspraktijken in de regio Arnhem.

Patiënten konden deelnemen als zij minstens drie maanden antipsychotica voorgeschreven kregen van hun huisarts. Exclusiecriteria waren: (i) leeftijd < 25 jaar, (ii) diagnose van dementie of delier of een reeds doorgemaakte hart- of vaatziekte.

De interventie bestond uit drie stappen.

Stap 1: de deelnemers werden geïnformeerd tijdens een groepsbijeenkomst.

Stap 2: het antipsychoticagebruik werd geëvalueerd in een multidisciplinair overleg (MDO).

Stap 3: huisarts en patiënt maakten samen een plan voor wijzigingen en controles.

De primaire uitkomstmaat is het percentage patiënten uit de doelgroep dat deelnam. De secundaire uitkomstmaat is het effect op het 10-jaarsrisico op hart- en vaatziekten.

Het 10-jaarsrisico op hart- en vaatziekten werd geschat op basis van QRISK3, de gangbare maat in het Verenigd Koninkrijk, omdat hierbij het gebruik van antipsychotica en het hebben van een ernstige psychische aandoening wordt meegewogen. De praktijken verzamelden data over diagnoses, meetwaarden en medicatiegebruik in het huisartsinformatiesysteem (HIS), gebruikmakend van software van Calculus. Gegevens over mentaal welbevinden en bijwerkingen werden verzameld middels vragenlijsten. Voor de analyse gebruikten we SPSS versie 25.

Resultaat

Van 272 antipsychoticagebruikers voldeden 155 patiënten aan de inclusiecriteria. De huisartsen hadden veel werk aan het bereiken van potentiële deelnemers. Zij nodigden er 56 (39%) uit waarvan er 28 deelnamen (18%). De interventie werd volledig doorlopen door 23 deelnemers (82%). Daarvan hadden er 18 een complete follow up na 3 maanden (64%). In het MDO kregen 22 deelnemers (79%) het advies om het antipsychoticagebruik nu of in de toekomst te stoppen, verminderen of switchen naar een ander middel. Overige adviezen gingen over andere psychofarmaca, leefstijl, monitoring en psychotherapie. Bij follow up bleek 36% van de adviezen te zijn opgevolgd, waaronder 4 keer het stoppen met roken. De verdeling van QRISK3 was erg scheef: 12 deelnemers hadden een laag risico (<5%), 7 een licht verhoogd risico (5-10%) en 9 een hoog risico (>10%). De gemiddelde daling was 1.35% (n=18).

Conclusie

De haalbaarheid zal toenemen wanneer de interventie aangeboden wordt aan een kleinere groep patiënten. Een logische keuze is om patiënten met een laag risico op hart- en vaatziekten te excluderen, omdat bij hen de minste urgentie voor wijzigingen bestaat.

Inleiding

Tijdens de COVID-pandemie waren huisartspraktijken beperkt geopend en besloten patiënten uit angst voor besmetting niet naar de praktijk te komen. Bovendien hadden de overheidsmaatregelen allerlei effecten op leefstijl. Het ketenzorgprogramma diabetes bevordert gestructureerde zorg voor patiënten met diabetes 2 in de huisartsenpraktijk. De effecten van de COVID-pandemie op het proces en de uitkomsten van het ketenzorgprogramma zijn onbekend.

Onderzoeksvraag

Wat is het effect van de COVID-pandemie op de diabetescontrole, de medicamenteuze behandeling en het aantal contacten met de huisartspraktijk van patiënten die deelnemen aan het ketenzorgprogramma Diabetes type 2 in de regio Drechtsteden en Alblasserwaard?

Methode

Data van volwassen patiënten die tussen 2017 – feb 2022 deelnamen aan het ketenzorgprogramma Diabetes type 2 van de regionale huisartsenorganisatie DrechtDokters werd uit het Keten Informatie Systeem (KIS) geëxtraheerd. Deze data wordt dagelijks automatisch verzameld en in dashboards weergegeven. De huisartsenorganisatie gebruikt deze data om patiëntuitkomsten en andere kwaliteitsindicatoren te monitoren. In dit onderzoek zijn volwassen patiënten geselecteerd met diabetes type 2 met een actieve deelname aan diabetesketenprogramma. Longitudinale data uit de drie jaren voorafgaand aan de start van de COVID-pandemie worden vergeleken met de data vanaf de start van de COVID-pandemie (1-4-2020). Met behulp van een ARIMA-model is de data vóór de COVID-pandemie gemodelleerd als een tijdreeks. Op basis van dit model zijn voorspellingen gemaakt voor de maanden na de start van de pandemie tot op heden. De uitkomstmaten zijn HbA1c, glucose, bloeddruk, BMI, LDL-cholesterol, SIMMS score, diabetesmedicatie en aantal contacten met de huisartsenpraktijk.

Resultaat

19.140 patiënten met diabetes type 2 nemen deel aan het ketenzorgprogramma diabetes. Ten tijde van de start van de COVID-pandemie was de patiëntenpopulatie gemiddeld 71 jaar, 53% man, met een gemiddeld HbA1c van 54,7 mmol/mol.

De eerste analyses laten zien dat het aantal metingen in april 2020 significant minder was dan de voorspelling. De waarden van de uitkomstmaten na de pandemie zijn veelal zoals voorspeld. Enkel in vijf van de 22 maanden is een significant verschil te zien in de BMI-waarden, zowel negatief als positief.

 Conclusie

Het analyseren van longitudinale huisartsenzorgdata levert interessante inzichten op die gebruikt kunnen worden om de kwaliteit van zorg te verbeteren. Op de NHG-Wetenschapsdag zullen verdere analyses en de conclusies van het onderzoek naar de effecten van COVID op de zorg voor patiënten met diabetes type 2 verder worden toegelicht.

Inleiding

Medicatie therapieontrouw is een veelvoorkomend probleem bij mensen met type 2 diabetes of een cardiovasculaire aandoening. Om therapietrouw te kunnen verbeteren is het belangrijk dat mensen die therapieontrouw zijn door zorgverleners en onderzoekers kunnen worden geïdentificeerd. Hiervoor kunnen bijvoorbeeld piltellingen worden gebruikt. Een aantal studies hebben het gebruik van een telefonische piltelling gevalideerd, waarbij patiënten zelf medicatie tellen terwijl ze daarbij telefonische begeleiding krijgen van een zorgverlener of onderzoeker. Deze studies hebben laten zien dat een telefonische piltelling een valide alternatief zou kunnen zijn voor een piltelling middels huisbezoek. Echter, deze studies zijn voornamelijk uitgevoerd in mensen met HIV en de telefonische piltellingen werden onaangekondigd uitgevoerd.

Onderzoeksvraag

Het doel van deze studie was het valideren van een aangekondigde telefonische piltelling in mensen die medicatie gebruiken voor type 2 diabetes en/of een cardiovasculaire aandoening door deze methode te vergelijken met een piltelling middels huisbezoek. Daarnaast was het tweede doel om te kijken of de telefonische piltelling beter werkte als er twee telefonische piltellingen werden uitgevoerd.
Methode
Mensen van 35 jaar en ouder en die gebruiker zijn van orale antidiabetica en/of medicatie tegen een cardiovasculaire aandoening werden geïncludeerd in deze studie. In totaal hebben 34 deelnemers een aangekondigde telefonische piltelling voltooid die direct werd gevolgd door een piltelling middels huisbezoek. Een subgroep van deze deelnemers (n=11) heeft een tweede telefonische piltelling voorafgaand aan de piltelling middels huisbezoek voltooid. Alle piltellingen werden uitgevoerd met behulp van een protocol. Intraclass correlatie coëfficiënten werden gebruikt om de overeenstemming te bepalen en Bland-Altman grafieken werden gebruikt voor de beoordeling van overeenstemming en uitschieters.

Resultaat

In totaal werden er bij de 34 deelnemers 203 piltellingen uitgevoerd. De studiepopulatie bestond voor 53% uit mannen, met een gemiddelde leeftijd van 69.9 (±9) jaar en een gemiddelde van 6.1 (±3) verschillende medicijnvoorschriften per deelnemer. Overeenstemming tussen de eerste telefonische piltelling en de piltelling middels huisbezoek was hoog met een intraclass correlatie coëfficiënt van 0.96 (95% CI 0.94-0.97) op medicijnniveau en 0.98 (95% CI 0.96-0.99) op individueel niveau. Er werden geen leereffecten geobserveerd in de groep die een tweede telefonische piltelling (n=11) voltooide. De intraclass correlatie coëfficiënt voor de eerste telefonische piltelling was namelijk 0.88 (95% CI 0.81-0.93) versus 0.89 (95% CI 0.82-0.83) voor de tweede telefonische piltelling. De Bland-Altman grafieken gaven een hoge overeenstemming tussen de telefonische piltelling en de piltelling middels huisbezoek aan.

Conclusie

Een aangekondigde telefonische piltelling lijkt een valide alternatief voor een piltelling middels huisbezoek in mensen met type 2 diabetes en/of een cardiovasculaire aandoening. Hierbij lijkt een enkele piltelling voldoende te zijn.

Inleiding

Doorgaans krijgen patiënten na de behandeling van dikkedarmkanker hun nacontroles en nazorg in het ziekenhuis. Een grotere betrokkenheid van de huisarts zou in sommige opzichten een verbetering in de kwaliteit van zorg kunnen geven door de persoonsgerichte werkwijze van de huisarts. In 2015 werd daarom de gerandomiseerde I CARE studie opgezet (Improving Care After colon canceR treatment in the Netherlands. Personalised care to Enhance quality of life) met als doel deze oncologische zorg bij de huisarts te evalueren.

Onderzoeksvraag

Wat zijn de ervaringen van dikkedarmkanker patiënten met oncologische nacontroles en nazorg door de huisarts ten opzichte van de chirurg?

Methode

Patiënten met stadium I-III dikkedarmkanker werden geworven uit 8 ziekenhuizen in Nederland. Patiënten werden vervolgens gerandomiseerd voor oncologische nacontroles en nazorg door de huisarts (interventiegroep) of de chirurg (controlegroep). Een mixed methods methode werd toegepast om de zorg bij de huisarts te vergelijken met de zorg bij de chirurg. Deze methode bestond uit vragenlijst data (N=261) en semi-gestructureerde interviews (N=25). De Consumer Quality Index (CQI) vragenlijst werd gebruikt om verschillende kwaliteitsaspecten van zorg te meten 1 jaar na de operatiedatum. Dit waren onder andere de communicatie en informatie door de zorgverlener, de uitgebreidheid van de zorg (onder andere de aandacht voor psychosociale en emotionele problemen, leefstijl, et cetera) en de toegankelijkheid van de zorg. De interviews werden afgenomen om de ervaringen van de patiënten verder uit te diepen.

Resultaat

Over het algemeen waren de patiënten tevreden over de zorg bij de huisarts en de chirurg (de patiënttevredenheid was respectievelijk 9,6 en 9,4 op een schaal van 1 tot 10). De CQI data toonde geen belangrijke verschillen in de kwaliteitsaspecten van zorg. Uit de interviews bleek dat patiënten vaak weinig verwachtingen hadden van de oncologische nacontroles en nazorg. De consulten waren vaak kort en medisch georiënteerd. Tijdens de consulten werden vooral de uitslagen van de controle onderzoeken besproken (de uitslag van het bloedonderzoek, echografie en coloscopie). Onderwerpen als leefstijl, werk, en psychosociale impact van dikkedarmkanker, kwamen minder vaak aan bod. Patiënten hadden vaak weinig klachten na de operatie. De oncologische nacontroles en nazorg bij de huisarts werd op verschillende manieren georganiseerd. Sommige patiënten namen zelf het initiatief om een controle afspraak in te plannen, terwijl in andere gevallen de huisarts dit initiatief nam. Sommige patiënten hoopten dat de huisarts een meer sturende rol op zich zou nemen.

Conclusie

Dikkedarmkanker patiënten ervaren een hoge kwaliteit zorg bij zowel de huisarts als de chirurg. Om oncologische nacontroles en nazorg in de huisartsenpraktijk mogelijk te maken, is het voor een patiënt belangrijk dat er een duidelijke taakverdeling is.

Inleiding

Allergische rhinitis (AR) is een aandoening van de bovenste luchtwegen. Circa 10-15% van de kinderen zijn aangedaan. Symptomen van seizoensgebonden AR ontstaan wanneer patiënten gevoelig worden voor aero-allergenen en zijn daarom afhankelijk van de blootstelling aan pollen. Als gevolg van seisoensafhankelijke variatie in pollenconcentratie, varieert ook de ernst van symptomen. De European Academy of Allergy and Clinical Immunology (EAACI) heeft een definitie opgesteld voor het pollenseizoen.
Deze studie onderzoekt de correlatie tussen het pollenseizoen, de pollenconcentratie en symptoomscores in kinderen met AR in Nederland.

Methoden

Wij deden een secundaire analyse in een studie die onderzocht welke van drie methoden de meest effectieve behandeling was voor kinderen met seizoensgebonden AR. Symptomen werden gedurende drie maanden gemeten in het pollenseizoen van 2013 en 2014. Hierbij werd gebruik gemaakt van een symptoomdagboek. De pollenconcentratie werd gemeten met behulp van een Hirst type volumetric spore trap sampler door het Leiden University Medical Center (LUMC). De gebruikte definitie voor pollenseizoen werd opgesteld door de EAACI. Wij berekenden de Spearman correlatiecoëfficiënt voor de correlatie tussen de pollenconcentratie en gemiddelde dagelijkse symptoomscore.

Resultaten

In 2013 was er geen significante correlatie tussen de symptoomscore en concentratie van berkenpollen (0.248, p-0.201). In 2014 was de correlatiecoëfficiënt 0.423 (p=0.000). De correlatiecoëfficiënt voor de concentratie van graspollen en gemiddelde symptoomscore was 0.413 (p=0.000) in 2013 en 0.655 (p=0.000) in 2014. Kinderen hebben een sterkere correlatie tussen graspollenconcentratie en symptoomscore dan adolescenten. Adolescenten hebben een sterkere correlatie tussen symptoomscore en concentratie van berkenpollen. Er is een vertraagde correlatie tussen concentratie berkenpollen en de symptoomscores tot twee dagen na de gemeten pollenconcentratie (0.151, p=0.031). Bij graspollen houdt dit effect tot drie dagen na de gemeten pollenconcentratie stand (0.194, p=0.000).

Conclusie

In Nederland zijn er vergelijkbare correlaties tussen symptoomscore en gemeten pollenconcentratie als beschreven door de EAACI. Zowel gras- als berkenpollen hebben een invloed op de symptoomscore gedurende enkele dagen na de daadwerkelijke meting. Dit betekent dat patiënten hun zo-nodig voorgeschreven medicatie wellicht langer moeten innemen na een gemeten pollenpiek.

Pecha Kucha’s 2 (Engels)

Inleiding

Binnen de behandeling van diabetes type II (DMII) is aanpassing van leefstijl de eerste stap. Intermitterend vasten is een veelbelovende behandeloptie, maar kan lastig zijn om vol te houden. Het effect van vasten kan ook worden bewerkstelligd door het gebruik van een vasten-nabootsend dieet, waarbij wel iets mag worden gegeten, maar waarbij door de specifieke samenstelling net als bij vasten voornamelijk vetverbranding plaatsvindt. In de Fasting In diabetes Treatment (FIT) studie werd het effect van een intermitterend vasten-nabootsend dieet bij patiënten met DMII onderzocht. In deze substudie onderzochten we de factoren van invloed op het volhouden van de interventie. Hiermee hopen we patiënten in de toekomst beter te kunnen voorbereiden en ondersteunen bij het volgen van een vasten-nabootsend dieet.

Onderzoeksvraag

Wat zijn bij patiënten met DMII in de Fasting In diabetes Treatment (FIT) studie factoren van invloed op het volhouden van een intermitterend vasten-nabootsend dieet gedurende 5 achtereenvolgende dagen per maand voor een periode van 1 jaar.

Methode

Focusgroepen met vier tot zes FIT studie deelnemers werden georganiseerd totdat datasaturatie was bereikt. Middels een semi-gestructureerde vragenlijst werden deelnemers gestimuleerd in discussie te gaan over hun ervaringen bij het volgen van een intermitterend vasten-nabootsend dieet. Een thematische analyse werd uitgevoerd door gebruik van het Capability, Opportuniy, Motivation – Behaviour (COM-B) model gecombineerd met het Theoretical Domain Framework (TDF).

Resultaat

Twintig deelnemers van de FIT studie werden geïncludeerd. Vier deelnemers hadden de interventie niet voltooid. Uit de thematische analyse bleken de belangrijkste beperkende factoren voor het volhouden van het dieet de smaak van de maaltijd vervangende producten (opportunity), beperkingen tijdens sociale activiteiten (opportunity) en onvoldoende steun vanuit de familie (opportunity). De voornaamste bevorderende factoren waren het ervaren van verbetering van de gezondheid (motivation), interne motivatie om het programma te voltooien (motivation) en steun van familie (opportunity).

Conclusie

Een belangrijke factor van invloed op het volhouden van een vasten-nabootsend dieet is de steun van familie. Bij aanwezigheid werkt deze bevorderend en bij afwezigheid beperkend. Extra aandacht van de zorgverlener voor de omgeving en sociale activiteiten kan de patiënt wellicht ondersteunen bij het volhouden van het dieet. Daarnaast is aandacht voor verbeteringen in gezondheid en interne motivatie van belang.

Inleiding

In Nederland zijn huisartsen verantwoordelijk voor de eerstelijns diabetes type 2 (T2D) zorg. Om de kwaliteit van zorg te verbeteren is in de regio West-Friesland het DiabetesZorgSysteem (DZS) opgezet. Het DZS-centrum was verantwoordelijk voor de kwaliteit van T2D-zorg en voerde jaarlijks gestandaardiseerde metingen uit.

Onderzoeksvraag

Verschillen de uitkomsten van diabeteszorg tussen patiënten die in het DZS behandeld werden met die van patiënten in reguliere huisartsenzorg?

Methode

Een retrospectief observationeel onderzoek werd uitgevoerd in het DIAbetes MANagement and Treatment (DIAMANT) cohort, een dynamisch, doorlopend, prospectief populatiecohort van personen met diabetes, met gegevens uit de elektronische huisartsinformatiesystemen van Nederlandse huisartsen. Gegevens uit 2013 zijn geëxtraheerd. We voerden logistische regressieanalyse uit om medicatiegebruik tussen de DCZ-groep (cases) en de reguliere T2D-zorggroep (controles) te vergelijken; negatieve binominale regressie om het aantal onderzoeken per jaar te vergelijken, en multivariabele ordinale logistische regressie om de proportie van mensen met streefwaarden voor HbA1c en nierfunctie te vergelijken.

Resultaten

In 2013 werden 131.154 patiënten geïncludeerd in het DIAMANT-cohort, van wie 7.593 werden behandeld in het DZS. DZS-cases gebruikten minder vaak de nieuwere glucose-verlagende geneesmiddelen dipeptidylpeptidase-4 (DPP4)-remmers (OR 0.26, 95% CI 0.21-0.32) en glucose-achtige peptide-1 (GLP1)-receptorantagonisten (OR 0.18, 95%CI 0.25-1.34) vergeleken met controles. Het totale aantal gebruikte glucose-verlagende medicijnen was lager in DZS-cases (OR 0.86 95%CI 0.82-0.90).

Het aantal onderzoeken (OR 0,85, 95% BI 0,84-0,87) en huisartsenconsulten (OR 0,92, 95% BI 0,91-0,94) was lager in DZS-cases (consultaties in het DZS werden niet meegenomen in de analyse). Verder was het gebruik van antihypertensiva (OR 0.38, 95%CI 0.29-0.49), RAAS-middelen (0.76, 95%CI 0.73-0.80) en calciumkanaalblokkers (OR 0.82, 95%CI 0.77-0.87) lager in DZS-cases, terwijl het gebruik van diuretica, bètablokkers en lipiden-modificerende geneesmiddelen vergelijkbaar was tussen de groepen.

HbA1c-spiegels in DZS-case waren lager vergeleken met controles (OR 0.69, 95%CI 0.67-0.71); de proportie personen met HbA1c-streefwaarden was vergelijkbaar in beide groepen, evenals de proportie personen met nierfunctie-streefwaarden.

Conclusie

Personen met T2D die werden behandeld in het centraal georganiseerde DZS gebruikten minder nieuwere glucose-verlagende medicijnen en minder antihypertensiva. Ze hadden minder vaak consulten bij de huisarts (maar de jaarlijkse consultaties in het DZS zijn niet meegenomen in de analyse). HbA1c-spiegels waren lager in DZS-cases dan bij mensen met T2D die in de reguliere zorg werden behandeld.

Inleiding

Een te scherpe instelling bij ouderen met diabetes type 2 die insuline of sulfonylureumderivaten-preparaten gebruiken, kan gevaarlijk zijn i.v.m. het optreden van hypogylcaemie. Onderzoek wijst er op dat een aanzienlijk deel van de ouderen overbehandeld wordt. Deze kwalitatieve pilotstudie evalueert barrières en ondersteunende factoren voor implementatie van een ondersteuningsprogramma voor medicatie-afbouw bij patiënten vanaf 70 jaar. De ondersteuning bestaat uit een HIS (huisartseninformatiesysteem)-selectie-instrument om deze doelgroep te identificeren en onderwijs inclusief intervisiebijeenkomsten voor huisartsen en praktijkondersteuners (POHs). De voorlopige resultaten worden hier gepresenteerd.

Onderzoeksvraag

Wat zijn barrières en ondersteunende factoren voor implementatie van een ondersteuningsprogramma voor medicatie-afbouw bij patiënten vanaf 70 jaar?

Methode

De implementatie van het ondersteuningsprogramma wordt kwalitatief onderzocht op basis van de Extended Normalisation Process (ENP) Theorie en RE-AIM (Reach, Effectiveness, Adoption, Implementation and Maintenance)-methode. Data die wordt verzameld omvat notulen en audiotapes van de nascholing, intervisiemomenten en interviews met huisartsen (n=6), POHs (n=7) en patiënten (n=5), routinezorgregistratie data (inclusief vrije tekst) van de patiënten die in aanmerking kwamen voor het zorgverbeteringsprogramma en een door zorgverleners ingevulde NoMAD vragenlijst is (n=9). Interviews worden verbatim getranscribeerd en thematisch gecategoriseerd. De notulen en transcripties worden momenteel thematisch door twee onderzoekers (BvH, PE) geanalyseerd en deze kwalitatieve analyse zal begin juni zijn afgerond en worden gerapporteerd.

Resultaat

Negen huisartspraktijken hebben aan de pilotstudie meegewerkt. Zorgverleners gaven aan in het HIS dat n= 71 patiënten voor het programma in aanmerking kwamen en bij n= 69 patiënten was aangegeven dat geprobeerd gaat worden om de medicatie af te bouwen en incidenteel al eerder was afgebouwd. Belangrijkste barrières voor implementatie van het programma waren: 1) de tijdsinvestering voor deelname aan de intervisiebijeenkomsten; 2) het informed consent moeten vragen voor de studie belemmerde de start met medicatie-afbouw; 3) onervarenheid met afbouwen en angst voor de effecten van het afbouwen van de medicatie 4) trage start door onervarenheid met het gebruik van het selectie-instrument; 5) onervarenheid met het uitvoeren van een consult over medicatieafbouw; 6) tijdbelasting doordat zorgverleners vaker ging monitoren.

Ondersteunende factoren voor implementatie waren: 1) praktische hulp bij het opstarten van het gebruiken van het selectie-instrument en de organisatie van het programma door onderzoeksassistenten; 2) de praktische voorbeelden in de onderwijsmaterialen; 3) het in rollenspel oefenen met het consult over medicatieafbouw; 4) de mogelijkheid om tijdens de intervisiemomenten vragen en problemen te bespreken en van elkaar te leren.

Conclusie

Belangrijkste leerpunten uit de pilotstudie, waarmee het ontwerp van de hoofdstudie zal worden aangepast, omvatten: 1) scheiding van studie- en zorggerelateerde processen; 2) doorvoeren van de geplande mate van scholing; 3) actief helpen met opstarten van het programma in een praktijk totdat het programma genormaliseerd is; 4) toevoegen aan het nascholingsmateriaal van een video-opname van het consult over medicatie-afbouw; 5) het programma implementeren in de reguliere zorg en medicatie-afbouw pas in gang te zetten bij een reguliere afspraak tussen zorgverlener en patiënt6) de mate van medicatie-afbouw per afbouwstap verminderen.

Inleiding

Meer dan 1 miljoen Nederlanders hebben diabetes, waarvan 90% diabetes type 2. Verschillende studies tonen aan dat leefstijl een belangrijke rol speelt in het ziekteverloop bij mensen met diabetes type 2. MiGuide heeft een app ontwikkeld die mensen helpt leefstijlwijzigingen in hun dagelijks leven in te passen en vol te houden. De app wordt geïntegreerd in de bestaande diabeteszorg binnen de eerstelijnsgeneeskunde, dit wordt ook wel hybride zorg genoemd. Uit eerder onderzoek is gebleken dat nieuwe (eHealth) interventies niet altijd succesvol worden geïmplementeerd in de zorg, wat ten koste gaat van de effectiviteit. Het in kaart brengen van de barrières en succesfactoren van het implementatieproces is essentieel, zodat eHealth applicaties zoals MiGuide op een goede manier gebruikt kunnen worden in de reguliere zorg.

Het doel van dit onderzoek is om de implementatie van MiGuide binnen de Nederlandse huisartsenzorg te evalueren op praktijkniveau.

Methode

Er werd gebruik gemaakt van een mixed methods studie design. Binnen één zorggroep deden vijf huisartspraktijken mee. Er zijn focusgroepen gedaan met verschillende stakeholders: drie huisartsen, acht praktijkondersteuners (verdeeld over twee groepen), drie patiënten en vier betrokkenen van het management van de zorggroep. De focusgroepen voor de huisartsen en praktijkondersteuners vonden plaats bij aanvang van de implementatie (T0), gedurende de implementatie (T1) en na afloop (T2). Voor de patiënten werden twee focusgroepen georganiseerd tijdens T1 en T2. De focusgroepen voor het management vonden plaats tijdens T0 en T2. Tijdens de focusgroepen met de zorgverleners zijn verschillende aspecten van de implementatie geëvalueerd: implementation fidelity, de impact op de zorgpaden, de rol van de praktijkondersteuner en de transitie van de zorg. De focusgroepen zijn intelligent verbatim getranscribeerd, en gecodeerd door twee onafhankelijke onderzoekers. Patiënten met diabetes type 2 die gebruik maakten van MiGuide en waren aangesloten bij één van de vijf huisartsenpraktijken konden daarnaast deelnemen aan het kwantitatieve deel van het onderzoek. Vragenlijsten werden afgenomen via de MiGuide app direct na start van het gebruik van MiGuide en 6 maanden later. Uitkomsten waren kwaliteit van leven (EQ-5D en EQ-VAS), gebruiksvriendelijkheid (System Usability Scale [SUS]) en zelfzorg (Summary of Diabetes Self-Care Activities Measure [SDSCA]). Tevens werden demografische gegevens en gebruikersdata verzameld. De kwantitatieve data wordt met exploratieve analyses onderzocht.

Resultaten en conclusie

Op dit moment worden de gegevens geanalyseerd. Hiermee krijgen we inzicht in hoeverre de implementatie van MiGuide is gegaan zoals beoogd. Daarnaast kunnen de barrières en succesfactoren in kaart worden gebracht, evenals de impact op de zorgpaden en de transitie van de zorg. Het patiënten perspectief zal inzicht geven in de ervaringen met, en het gebruik van, MiGuide.

Door de implementatie, en de bijbehorende barrières en succesfactoren, van een app zoals MiGuide te onderzoeken, kan worden bijgedragen aan het huidige implementatieonderzoek en verbetering van de zorg binnen de eerstelijnsgeneeskunde.

Inleiding

Leefstijl en preventie krijgen steeds meer aandacht in de eerstelijnszorg. Per 2015 ondersteunt ook het NHG de begeleidende en ondersteunde rol van de huisarts met de ontwikkeling van de zorgmodules Leefstijl. Tot dusver is echter weinig bekend over hoe je een soortgelijke zorgmodule in de huisartsenpraktijk implementeert en welke belemmerende en bevorderende factoren hiermee samengaan. De SoDA-studie (Stimulatie van Dagelijkse Activiteiten) is opgezet om de implementatie van een beweegprogramma in de huisartsenpraktijk voor patiënten na behandeling van kanker te evalueren, en de belemmerende en bevorderende factoren vanuit patiënten, huisartsen en praktijkondersteuners (POHs) in kaart te brengen.

Methode

Het beweegprogramma bestaat uit zes gesprekken met de POH over een tijd van negen maanden, waarbij patiënten gecoacht worden om meer te bewegen in de dagelijkse activiteiten. Patiënten dragen een activiteitenhorloge waarmee beweegdoelen worden gesteld en geëvalueerd. In 15 huisartsenpraktijken zal het beweegprogramma worden geïmplementeerd en worden geëvalueerd aan de hand van het RE-AIM model (Reach, Effectiveness, Adoption, Implementation, and Maintenance). Voor deze presentatie kijken we alleen naar de voorlopige resultaten van de onderdelen Reach en Adoption. Binnen Reach wordt gekeken hoeveel patiënten deelnemen en de representativiteit van de deelnemers. Binnen Adoption wordt gekeken naar het percentage van huisartsenpraktijken dat meedoet en de representativiteit van de deelnemende huisartsenpraktijken. Daarnaast evalueren we de ervaringen en belemmerende en bevorderende factoren ten aanzien van de implementatie onder deelnemende patiënten, huisartsen en praktijkondersteuners (POHs) door middel van vragenlijsten en interviews.

Resultaten

Op dit moment zijn 8 huisartsenpraktijken gestart met de implementatie. Reach: van de 164 uitgenodigde patiënten nemen 48 deel aan het beweegprogramma (29%); 18 patiënten nemen niet deel maar vullen eenmalig een vragenlijst in (11%). Deelnemers zijn significant jonger dan niet-deelnemers (61.8 vs 67.5 jaar, p=0.022). Adoption: van de 110 huisartsenpraktijken die zijn aangeschreven nemen 15 deel (14%). Deelnemede huisartsenpraktijken hebben een gemiddelde praktijkgrootte van 5400 patiënten (range 1200-11.000), met 2 huisartsen (range 1-12) en 1 tot 2 POHs werkzaam. Patiënten zijn overwegend positief over het programma: 45% gaf in (zeer) hoge mate aan dat het programma hen meer energie bracht, ze meer fysiek actief waren door het programma (40%) en dat het activiteitenhorloge hielp om de beweegdoelen te halen (60%). 70% van de patiënten zou het programma aan anderen aanbevelen. Een ervaren nadeel door enkele patiënten is de huidirritatie door het siliconen bandje van het activiteitenhorloge. Huisartsen en POHs geven aan dat het programma een aanvulling is op de reguliere zorg die zij leveren, en dat deze goed in hun werkwijze te implementeren is. Voornaamste knelpunten door huisartsen en POHs zijn gebrek aan tijd en personeel om het programma goed in te bedden.

Conclusie

Ongeveer een derde van de patiënten na behandeling van kanker neemt deel aan het beweegprogramma, waarvan het merendeel het programma positief beoordeelt. Huisartsen en POHs beoordelen het programma als een aanvulling is op de reguliere zorg, en geven aan dat het programma goed te implementeren is. Ervaren knelpunten vanuit deelnemende patiënten is de kans op huidirritatie door het activiteitenhorloge; knelpunten door huisartsen en POHs zijn gebrek aan tijd en personeel.

Inleiding

Over de behandeling van subklinische hypothyreoïdie (SCH) dat gekenmerkt wordt door een verhoogd thyroïd stimulerend hormoon [TSH] en een normaal vrij T4, bestaat veel discussie. Richtlijnen zijn niet eenduidig. Geadviseerd wordt dat artsen hun beslissing om SCH wel of niet te behandelen, baseren op de huidige evidence en de voorkeur van de patiënt. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat het behandelen van SCH met levothyroxine bij ouderen geen verbetering geeft van schildklier-gerelateerde symptomen, kwaliteit van leven en symptomen van depressie of cognitieve functie. Het is nog onbekend wat de tevredenheid van patiënten over deze behandeling is.

Onderzoeksvraag

Verschilt de patiënttevredenheid van ouderen met subklinische hypothyreoïdie over de behandeling met levothyroxine of placebo?

Methode

Dit is een gecombineerde analyse van twee internationale gerandomiseerde, dubbelblinde, placebo-gecontroleerde studies naar de effecten van levothyroxine behandeling voor SCH bij volwassenen ≥65 jaar in de huisartspraktijk: TRUST (Thyroid hormone Replacement for Untreated older adults with Subclinical hypothyroidism – a randomised placebo controlled Trial) en de IEMO (Institute for Evidence-Based Medicine in Old Age) 80+ schildklierstudie.

Patiënttevredenheid over de behandeling werd bepaald tijdens het laatste studiebezoek en geoperationaliseerd als: 1. effectiviteit, bijwerkingen, gebruiksgemak en algemene tevredenheid met/van studiemedicatie gemeten met de domeinen van de Treatment Satisfaction Questionnaire for Medication (TSQM); 2. de wens van deelnemers om de studiemedicatie te continueren na de studie; 3. welke studiemedicatie deelnemers dachten gebruikt te hebben.

Resultaat

Voor 306 van de 346 gerandomiseerde deelnemers in de levothyroxinegroep en voor 300 van de 346 in de placebogroep was tenminste één uitkomstparameter beschikbaar voor analyse van patiënttevredenheid. In beide groepen was op baseline de gemiddelde leeftijd 74.5 jaar en het percentage vrouwen 53%. De mediane (IQR) TSH was 5.72 mIU/L (5.1–6.9) in de levothyroxinegroep en 5.77 mIU/L (5.1–7.0) in de placebogroep. De gemiddelde (SD) einddosis levothyroxine was 53.4 (16.7) µg.

Op geen van de TSQM subdomeinen verschilden de groepen voor tevredenheid met studiemedicatie (p>0.39). Daarnaast werden geen verschillen gevonden voor: het aantal deelnemers met bijwerkingen (8.7% in levothyroxinegroep en 11.0% in placebogroep, p=0.38); het aantal deelnemers dat de studiemedicatie niet wilde continueren, juist wel of dit niet wist (27.3%, 35.4% en 37.3% in de levothyroxine groep vs 30.1%, 27.4%, 42.5% in de placebogroep, p =0.14); en het aantal deelnemers dat dacht tijdens de studie placebo gebruikt te hebben, levothyroxine, of dit niet wist (31.4%, 15.2% en 53.4% in de levothyroxinegroep vs 36.3%, 11.8% en 51.9% in de placebogroep, p=0.35).

Conclusie

Deze studie toont dat patiënttevredenheid bij ouderen met subklinische hypothyreoïdie niet verschilt bij behandeling met levothyroxine of placebo. Dit is belangrijke informatie voor het proces van gezamenlijke besluitvorming en ondersteunt de beslissing om af te zien van behandeling van subklinische hypothyreoïdie bij ouderen.

Inleiding

In de gezondheidszorg worden geneesmiddelen voornamelijk gedoseerd op basis van generieke startdoseringen of instelprotocollen. Voor de meeste patiënten is dit ontoereikend en is het vinden van de juiste gepersonaliseerde dosering op basis van effect en bijwerkingen een tijdrovend en kostbaar proces. Machine learning-algoritmes kunnen op basis van relevante variabelen uit een patiëntendatabase voor iedere patiënt een gepersonaliseerd doseringsadvies maken. We stelden een framework op voor het gestandaardiseerd en efficiënt ontwikkelen van zo’n algoritme. Dit framework pasten we toe op levothyroxine, gezien de hoge prevalentie van schildklierproblemen en de vaak lange en arbeidsintensieve instelperiode, met behulp van een bestaande database van een huisartsennetwerk.

Onderzoeksvraag

Welke regulier verzamelde patiëntkarakteristieken zijn voorspellend voor de uiteindelijke stabiele dosis levothyroxine en is een machine learning-model in staat om op basis hiervan gepersonaliseerde dosisvoorspellingen te doen?

Methode

Uit de database van het Academisch Huisartsennetwerk Nijmegen bouwden we een dataset met regulier verzamelde medische gegevens van 462 patiënten. We definieerden een binaire doelvariabele voor het probleem: een stabiele dosis levothyroxine kleiner of gelijk aan 75 µg of groter dan 75 µg. Een stabiele dosis was gedefinieerd als dezelfde voorgeschreven dosis langer dan 180 dagen. Op basis van medische en farmacologische kennis selecteerden we potentiële voorspellende kenmerken. In een vergelijking van verschillende classificatiemodellen beoordeelden we de voorspellende waarde van deze kenmerken, die we vervolgens individueel analyseerden op basis van voorspelkracht, verdeling van de data en vakinhoudelijke kennis. We ontwikkelden tot slot een voorstel voor beslissingsondersteunende software: een dashboard (computerprogramma) waarin zowel de modelvoorspellingen als de dosering die het standaard instelprotocol voorschrijft worden getoond en worden toegelicht aan de hand van de individuele kenmerken van de patiënt in de spreekkamer.

Resultaten

In de gehele dataset was de gemiddelde instelduur tot de stabiele dosering 199 dagen. Voor de patiëntgroep die een stabiele dosering >75 µg had (36% van het totaal) was de gemiddelde instelduur 262 dagen. Verschillende modellen werden getraind op de medische data van 462 patiënten. De Random Forest Classifier (RFC) en Logistic Regression Classifier (LRC) presteerden vergelijkbaar (area under the curve [AUC] respectievelijk 0,72 en 0,74). Het logistische regressiemodel werd geselecteerd gezien de superieure uitlegbaarheid. Fine-tuning van dit model resulteerde in een model met de vier verklarende variabelen met de hoogste voorspelkracht: TSH, fT4, leeftijd en gewicht. Meerdere co-medicaties leken een effect op de levothyroxinedosis te hebben, voornamelijk protonpompremmers. De dataset bevat echter te weinig waarnemingen om zeker te zijn van dit effect van co-medicatie.

Conclusie

Met gebruik van retrospectieve data uit de huisartsenpraktijk kan middels een gestandaardiseerd framework een voorspelmodel voor levothyroxine ontwikkeld worden, dat in staat is om een hoge of lage dosering te voorspellen met redelijke voorspelkracht. Voor de uiteindelijke stabiele dosering levothyroxine zijn de diagnostische waardes van TSH en FT4 het meest voorspellend, terwijl deze niet gebruikt worden in het NHG-instelprotocol. Toekomstige studies kunnen deze bevindingen repliceren, het effect van co-medicatie valideren en het framework toepassen op andere medicijnen in een andere context.

De studie is reeds afgerond en voor de studie is huisartsendata gebruikt.

Inleiding

Artrose (OA) is een veel voorkomende en invaliderende ziekte die een aanzienlijke belasting vormt voor patiënt en gezondheidszorg. Eerdere studies hebben aangetoond dat patiënten met artrose een hoger risico hebben op het ontwikkelen van comorbiditeiten. Veel hiervan onderzochten slechts enkele aandoeningen, of hielden geen rekening met de volgorde van het ontstaan van comorbiditeit ten opzichte van artrose.

Onderzoeksvraag

Het bepalen van het risico op comorbiditeit na diagnose van knie- of heupartrose, met behulp van elektronische patiëntendossiers.

Methode

Een cohortonderzoek werd uitgevoerd met behulp van de Integrated Primary Care Information (IPCI) database, een elektronische patiëntendossierdatabase met dossiers van 2,5 miljoen patiënten uit huisartsenpraktijken in Nederland. De onderzoekspopulatie bestond uit patiënten van 18 jaar of ouder die ‘at risk’ waren voor artrose en comorbiditeit. Diagnose van knie- of heupartrose werd gedefinieerd als de eerste registratie van de overeenkomstige diagnostische International Classification of Primary Care (ICPC) code in het medisch dossier. Achtenvijftig comorbiditeiten werden geselecteerd als uitkomstmaat en gedefinieerd door overeenkomstige ICPC-codes.

Follow-up van patiënten startte een jaar na hun registratie in de IPCI database en eindigde op de diagnosedatum van de comorbiditeit (=event), of bij uitschrijving, overlijden of op 31 december 2019 (=censoring); welke zich het eerst voordeed. De parameter blootstelling aan knie- of heupartrose varieerde in de tijd: de tijd tussen start van de follow-up en de diagnose van artrose werd gedefinieerd als niet-blootgestelde tijd en vanaf de diagnose tot het einde van de follow-up als blootgestelde tijd. De leeftijd van de patiënten werd gebruikt als tijdsas, mede om voor leeftijd te kunnen corrigeren. Hazard ratio’s (HR’s) die de blootgestelde en niet-blootgestelde patiëntstatus vergeleken, werden berekend per comorbiditeit met een 99,9% betrouwbaarheidsinterval (BI) en werden gecorrigeerd voor geslacht.

Resultaat

De onderzoekspopulatie bestond uit 1.890.712 patiënten. Bij 11 van de 58 onderzochte comorbiditeiten gaf blootstelling aan knieartrose een statistisch significante HR groter dan 1, wat betekent dat het risico op de diagnose van deze comorbiditeiten na blootstelling aan knieartrose verhoogd was. Obesitas, nekpijn en jicht gaven de grootste risico’s met HR’s (99,9% BI) van respectievelijk 2.02 (1.06-3.83), 1.58 (1.16-2.16) en 1.43 (1.01-2.03). Voor geen van de comorbiditeiten bestond er een negatieve associatie (HR<1) met blootstelling aan knieartrose.

Bij heupartrose hadden 7 comorbiditeiten een HR groter dan 1, waarvan fibromyalgie 6.09 (1.25-29.53), hernia 2.03 (1.46-2.83) en perifeer vaatlijden 1.64 (1.09-2.49) de grootste associaties toonden. Ook bij heupartrose waren HR’s van de overige comorbiditeiten niet significant.

Conclusie

Deze studie toonde aan dat er een hoger risico bestaat op diagnose van bepaalde comorbiditeiten na blootstelling aan artrose in de knie of heup. De positief geassocieerde comorbiditeiten verschilden tussen knie- en heupartrose. Dit suggereert dat men bij de behandeling van artrose rekening moet houden met het risico op andere (chronische) aandoeningen en dat verder onderzoek naar de causaliteit tussen artrose en comorbiditeit nodig is.

Pecha Kucha’s 3

Inleiding

Slaapstoornissen komen vaak voor: ongeveer één derde van de algemene populatie geeft aan aan ten minste één symptoom zoals moeilijk inslapen te lijden en 10% voldoet aan de klinische diagnose. Onder patiënten die de huisarts bezoeken loopt dit zelfs op tot 50%. Slapeloosheid heeft grote impact op patiënt en samenleving: het vergroot de kans op verschillende psychische en somatische aandoeningen, maar zorgt ook voor een toename in zorgconsumptie, ziekteverzuim en ongelukken. Adequate behandeling is hierom belangrijk. Hoebert et al. hebben in 2012 aangetoond dat benzodiazepines aan ongeveer 60% van de patiënten met slaapproblemen werd voorgeschreven door de huisarts. Ondertussen wordt er steeds meer onderzoek gedaan naar cognitieve gedragstherapie (CGT), dat inmiddels internationaal erkend is als eerst keus behandeling. In juli 2014 is de NHG-standaard ‘Slaapproblemen en Slaapmiddelen’ herzien, waarbij gedragsmatige adviezen en lichaamsbeweging centraal staan bij de behandeling. De Insomnia studie onderzoekt de jaarlijkse incidentie van slaapproblemen in de huisartspopulatie en het aantal prescripties slaapmedicatie tussen 2010 en 2020. Het doel is vast te stellen in hoeverre de registratie en het voorschrijfgedrag door huisartsen veranderd is over de tijd en na de invoering van de herziende richtlijn.

Onderzoeksvraag

Wat is de jaarlijkse incidentie van slaapproblemen onder patiënten in de huisartsenpraktijk? Hoeveel en welke patiënten ontvangen een recept met slaapmedicatie binnen 7 dagen en 6 maanden na diagnose? Is er een verandering in incidentie en het voorschrijven van slaapmedicatie vast te stellen in de afgelopen 10 jaar en in het bijzonder na de invoering van de herziene NHG-standaard?

Methode

Retrospectieve observationele studie. Binnen het Extramuraal LUMC Academisch Netwerk (ELAN) werd uit data van 186.000 patiënten > 18 jaar de jaarlijkse incidentie van slaapproblemen en het aantal medicatieprescripties geanalyseerd tussen 2010 en 2020.
Incidente slaapproblemen werden gedefinieerd als registratie van de ICPC-code P06 (Slapeloosheid/andere slaapstoornis), waarbij er ten minste 12 maanden daarvoor geen P06 werd geregistreerd. De jaarlijkse incidentie van slaapproblemen werd berekend door het aantal incidente ICPC-codes P06 te delen door het aantal patiënten die dat jaar in de ELAN-huisartspraktijken geregistreerd waren. Om te onderzoeken of het aantal prescripties van slaapmedicatie veranderd is over de jaren, werd gekeken naar het aantal medicatievoorschriften binnen 7 dagen en 6 maanden na de incidente diagnose.
De incidentie van slaapproblemen (P06) en slaapmedicatievoorschriften werden uitgezet in time series plots. (Gesegmenteerde) regressieanalyses werden gebruikt om te kijken naar verschillen over tijd en naar verschillen voor en na de herziening van de NHG-richtlijn in 2014.

Resultaten

Op de wetenschapsdag zullen de resultaten gepresenteerd worden.

Conclusie

Besproken zullen worden de incidentie van slaapproblemen en medicatie en de trends van de afgelopen 10 jaar. De implicaties hiervan zullen eveneens besproken worden.

Inleiding

Sinds het artikel van de ‘Lancet Commission on Planetary Health’ in 2015, groeit het vakgebied Planetary Health gestaag en wordt de relatie tussen de ecologische crisis en gezondheid elke dag duidelijker. Vanwege deze relatie vragen (geneeskunde) studenten en huisartsen in opleiding steeds vaker om Planetary Health op te nemen in het curriculum. In de internationale literatuur wordt snelle integratie van Planetary Health in medische curricula geadviseerd. Er is echter geen goed overzicht van wat reeds is gepubliceerd over Planetary Health in het medisch onderwijs. Daarom voeren wij een scoping review uit. Om deze review op een efficiënte manier uit te voeren maken wij gebruik van een ‘active learning model’ voor de titel en abstract-screening.

Onderzoeksvraag

Wat is er in de internationale literatuur bekend over Planetary Health in medisch onderwijs?

Methode

In februari 2022 hebben wij een zoekstrategie verricht in online databases, waaronder Pubmed en MEDLINE. Hierbij werden 2799 artikelen gevonden. Voor de titel en abstract-screening, die plaats zal vinden in maart 2022, zullen wij gebruik maken van ASReview. ASReview is een vernieuwend softwareprogramma dat helpt om relevante artikelen op een efficiëntere manier te screenen door middel van een ‘active learning model’. Relevante artikelen worden op basis van het model als eerste getoond. Doordat de relevante artikelen door de software als eerste worden getoond kan eerder (voordat alle artikelen zijn gelezen) worden gestopt met het screenen en verloopt het screeningsproces meer tijdsefficiënt. Na de titel en samenvatting screening zullen de artikelen thematisch worden samengevat en tot resultaten verwerkt via de scoping review methode van Arksey and O’Malley (2005).

Resultaten en conclusie

De voorlopige resultaten en conclusie van de scoping review verwachten wij in de zomer van 2022 te kunnen presenteren, tevens zullen wij onze ervaring met het gebruik van een ‘active learning model’ bij screening voor een systematische (scoping) toelichten.

Inleiding

Door digitalisatie van eerstelijns zorgsystemen is er een enorme hoeveelheid aan zorgdata beschikbaar ten behoeve van evaluatie van de zorg en de gezondheid van de populatie wanneer deze ter beschikking worden gesteld aan onderzoeksinstituten. De monitoring van chronische aandoeningen in de Nederlandse ketenzorg is door haar structurele aanpak een bron aan informatie. Het is aantrekkelijk deze data te kunnen gebruiken voor het evalueren van interventies, daar de belasting voor de deelnemer beperkt blijft.

Onderzoeksvraag

Kunnen we routinematig verkregen data uit zorgregistratiesystemen gebruiken om interventies met betrekking tot de chronische eerstelijnszorg te evalueren, kijkend naar het aantal missende waarden en eventuele bias door missende waarden?

Methode

Tussen 2017-2021 werd het leefstijlprogramma ‘Healthy Heart’ geimplementeerd in de eerstelijnszorg in Den Haag. Deelnemers waren volwassenen met een verhoogd cardiovasculair risico, zonder diabetes mellitus of al cardiovasculaire complicaties. Voor de (kosten)evaluatie van het effect op gewicht, bloeddruk, LDL-cholesterol, HDL-cholesterol en zorg- en medicatiegebruik zijn gegevens uit het ketenzorginformatiesysteem (KIS) gebruikt. Metingen uit het KIS werden gekoppeld aan uitkomsten uit vragenlijsten (gewicht, beweging, dieetkwaliteit, alcohol, roken) op 0, 3, 6, 12 en 24 maanden (T0-T4). Het aantal bezoeken aan de huisartspraktijk werd berekend aan de hand van de registraties in het KIS. Zelf-gerapporteerde gegevens van het gewicht, alcoholgebruik en roken werden aangevuld met KIS-data. De effecten werden geschat met mixed regressiemodellen.

Resultaat

Van de 1115 personen die geïncludeerd werden, konden 848 gekoppeld worden aan het KIS, 141 personen werden ge-excludeerd omdat er geen data van was. Van 787 personen was zowel data uit vragenlijsten als het KIS, van 155 personen alleen data uit het KIS. Het aantal missende data voor bloeddruk op T0-T4 was respectievelijk 166 (18%) 760 (81%) 642 (68%) 410 (44%) en 535 (57%) en voor dieetkwaliteit: 91 (12%), 184 (23%), 280 (36%), 304 (39%), 349 (44%). Eenzelfde patroon werd gezien voor de andere KIS-variabelen, danwel vragenlijst-variabelen. De registraties aangevuld met zelfgerapporteerde waarden vertoonden minder missende waarden. Missende waarden binnen de KIS data had te maken met frequentie van bezoek en het gebruik van antihypertensive medicatie en binnen de vragenlijsten met geslacht, leeftijd en welzijn. Door het gebruik van mixed regressiemodellen konden de effectmaten geschat worden. 

Conclusie

Voor een regelmatig gemonitorde populatie kunnen de effecten van een interventie geschat worden op basis van routinematig verkregen zorgdata over een tijdsspanne van 2 jaar. Door frequentie van reguliere zorgbezoeken en manier van registratie kan het aantal missende waarden per persoon en per praktijk verschillen. Het mechanisme van missende waarden volgt een ander patroon dan bij het gebruik van vragenlijsten. Hierbij dient rekening gehouden te worden bij de studieopzet, analyse en interpretatie van de resultaten. Goede registratie door zorgverleners en koppelen van datasystemen zijn mogelijkheden de betrouwbaarheid van de uitkomsten te vergroten. 

Inleiding

Nederland kent drie oncologische bevolkingsonderzoeken (bvo’s), dit zijn de onderzoeken naar baarmoederhals-, borst- en darmkanker. De landelijke opkomstcijfers van de bvo’s zijn redelijk hoog, maar laten wel een duidelijk dalende trend zien in de afgelopen jaren. Vooral in de hoogstedelijke gebieden is de deelnamegraad laag en valt deze onder de minimaal effectieve grens van 70%. Het is belangrijk om redenen van wel en niet deelname aan de bvo’s te begrijpen, om eventuele aanpassingen door te kunnen voeren en daarmee de deelname te optimaliseren. Het doel van deze studie was om verschillende opvattingen over deelname aan de oncologische bvo’s in een hoogstedelijk gebied in Nederland in kaart te brengen.

Onderzoeksvraag

Welke verschillende opvattingen bestaan er onder potentiële participanten, die woonachtig zijn in een hoogstedelijk gebied in Nederland, over deelname aan de oncologische bvo’s?

Methode

Een online Q-studie werd uitgevoerd om de meest voorkomende opvattingen ten aanzien van deelname aan de bvo’s te identificeren. Alle deelnemers waren inwoners van Den Haag. Zij rangschikte 31 stellingen, gebaseerd op bestaande literatuur en het I-Change model. De rangschikking werd verricht aan de hand van een aantal vaststaande kolommen en komt overeen met de mate van overeenstemming met de stellingen. Hierna volgde een korte vragenlijst. Een factor analyse werd uitgevoerd om groepen van verschillende samenhangende opvattingen te identificeren. Zowel de kwantitatieve als kwalitatieve data werd gebruikt voor de interpretatie van de verschillende groepen. Aanvullend werden enkele deelnemers telefonisch geïnterviewd voor meer verdiepende informatie over hun gekozen rangschikking. 

Resultaat

De voorlopige resultaten wijzen op drie unieke en verschillende groepen opvattingen: (1) “Vroege opsporing leidt tot betere genezingsopties”, (2) “Weten is niet altijd beter” en (3) “Kanker is beangstigend”. Deze opvattingen leveren evidente inzichten op over redenen van potentiële participanten ten aanzien van deelname aan de Nederlandse bvo’s. 

Conclusie

Gezien de bvo’s gebaat zijn bij een hoge deelnamegraad is het belangrijk om inzicht te hebben in de redenen van potentiële participanten over deelname aan de verschillende bvo’s. Deze studie voegt nieuw inzicht toe en beoogt daarmee een bijdrage te leveren aan de verdere toekomstige optimalisatie van de huidige bvo’s.

Inleiding

De maatregelen om de verspreiding van corona te remmen hebben een grote invloed op het leven van jongeren op onder andere sociaal vlak, onderwijs en sport. In een studie begin 2021 zagen wij tijdens de tweede lockdown (eind 2020 – begin 2021) een toename van zorggebruik bij de huisarts voor psychische klachten onder jongvolwassenen. In het voorjaar van 2021 werden de maatregelen na de strenge lockdown versoepeld, maar in het najaar werden er toch weer maatregelen ingevoerd. Wij keken daarom opnieuw naar het aantal contacten dat jongeren (15-19 jaar) en jongvolwassenen (20-24 jaar) met de huisarts hadden voor depressieve klachten, depressie, angstklachten en angststoornis en maakten onderscheid naar geslacht.

Onderzoeksvraag

Hoe ontwikkelde het zorggebruik bij de huisarts voor psychische klachten in 2021 ten opzichte van het eerste ‘coronajaar’ 2020 en de jaren voor de pandemie?

Hoe zag die ontwikkeling eruit voor jonge vrouwen en mannen in de leeftijdsgroepen 15 tot 19 jaar en 20 tot 24 jaar?

Methode

De cijfers zijn berekend op basis van een steekproef van gemiddeld 390 huisartsenpraktijken die deelnemen aan Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn die representatief zijn voor de Nederlandse huisartspraktijken. Wekelijks krijgt het Nivel van deze praktijken geanonimiseerde gegevens uit de elektronische medische dossiers. Wij hebben de wekelijkse contacten voor P01 (angstig/gespannen/nerveus gevoel), P03 (down/depressief gevoel), P74 (angststoornis/angsttoestand) en P76 (depressie) berekend per 100.000 personen die ingeschreven waren in de huisartsenpraktijk in de leeftijdsgroep 15 – 19 jarigen en 20 – 24 jarigen, onderverdeeld naar geslacht. Het zorggebruik wordt periodiek gemonitord en wordt begin juni 2022 aangevuld met de meest recente cijfers (eind mei), voorafgaande aan de NHG-wetenschapsdag.

Resultaat

In 2021, en met name tijdens de periodes van strenge maatregelen om verspreiding van het virus in te dammen, was het gemiddeld wekelijks aantal contacten met de huisarts voor down/depressief gevoel en voor angststoornis hoog, vooral voor vrouwen (20-24 jaar). Voor meiden (15-19 jaar) was het aantal contacten voor down/depressief gevoel vooral in de eerste helft van 2021 duidelijk hoger dan in voorgaande jaren. Voor jongens en jonge mannen bleef het aantal contacten grotendeels vergelijkbaar met de jaren voor de pandemie, behalve voor down/depressief gevoel bij 20-24 jarige mannen in de eerste helft van 2021. Hoe de ontwikkeling verloopt in 2022 is nog niet bekend, maar zullen we laten zien op de wetenschapsdag.

Discussie

Tijdens de coronapandemie is het zorggebruik bij de huisarts voor psychische klachten vooral onder jonge vrouwen toegenomen. Op dit moment lijkt de pandemie zich gunstig te ontwikkelen, de maatregelen zijn sterk teruggedrongen en worden nog verder versoepeld. Voor huisartsen is het belangrijk om alert te blijven op de mentale gezondheid en oog te hebben voor groepen die, ondanks de versoepelingen, mogelijk langdurig klachten blijven houden zodat tijdig hulp geboden kan worden. Zij kunnen hier actief naar vragen bij jongeren en jongvolwassenen. Hierbij willen wij huisartsen oproepen juist alert te zijn bij jongens en jonge mannen, die zich mogelijk minder snel tot de huisarts wenden bij psychische problemen.

Inleiding

Voor de registratie van episodes en diagnoses wordt in de Nederlandse huisartspraktijk gebruik gemaakt van de International Classification of Primary Care (ICPC), een patiënt-georiënteerd classificatiesysteem. Samen met de ‘Richtlijn Adequate dossiervorming met het EPD’ (ADEPD) van de NHG wordt gestreefd naar uniforme dossiervoering en een toenemende bruikbaarheid van huisarts-data. In de praktijk zien we echter frequent onjuiste of ontbrekende ICPC-registraties. Betrouwbare registratie is belangrijk voor de kwaliteit van zorg, zeker wanneer het verschil tussen ernstige en onschuldige onderliggende aandoeningen groot is, zoals bij acute ‘pijn thorax’ het geval kan zijn.

Onderzoeksvraag

Het in kaart brengen van ICPC-misregistraties bij een specifieke groep patiënten met acute ‘pijn thorax’.

Methode

Deze studie is onderdeel van het TRiage of Chest pain Evaluation in primary care (TRACE) project. Het betreft patiënten welke in 2017 contact opnamen met de huisartsenpost (HAP) in Alkmaar vanwege pijn op de borst. Voor dit onderzoek werd ook informatie verzameld omtrent de ICPC-registratie van de episode in het patiëntendossier op de dagpraktijk. Tevens werden op het moment van dataverzameling deze ICPC-registraties vergeleken met de beschrijving van de diagnose zoals deze in SOEP-registraties en/of ziekenhuiscorrespondentie terug te vinden was. Indien er sprake was van een discrepantie tussen de ICPC-registratie en de omschrijving van de diagnose (ICPC-misregistratie) werd de meest geschikte ICPC-code bepaald en eventueel geadjudiceerd door twee ervaren huisartsen. Voorbeelden van misregistraties zijn: ontbrekende ICPC-codes, overname van werkdiagnoses (HAP) zonder deze later te corrigeren, of algemene/aspecifieke ICPC-codes.

Secundair werd gekeken naar de verschillen tussen patiënten mét en zónder ICPC-misregistratie en werd een inschatting gemaakt van de mogelijke relevantie en impact hiervan.

Resultaat

In totaal konden van 1.471 patiënten die de HAP belden met ingangsklacht ‘pijn thorax’ de ICPC-coderingen geanalyseerd worden. In ongeveer een kwart van deze groep (25,7%, n=378) was er sprake van ICPC-misregistratie. In 49 (13%) van deze gevallen ging dit om een missende ICPC-code in het dossier van de dagpraktijk en bij 329 (87%) patiënten werd aan de hand van de diagnose-beschrijving een andere code geprefereerd. Bij de meerderheid (60,6%) van deze laatste groep lag de wijziging van de code buiten het hoofdstuk/orgaansysteem, hiervan bleek 30% te berusten op een totaal andere diagnose terwijl 70% werd veroorzaakt door verschil in sub-codering of onvoldoende gespecificeerde ICPC-code. In totaal werd bij 29,4% van de ICPC-misregistraties de mogelijke impact hiervan als relevant ingeschat (d.w.z. aanzienlijke onder- of overschatting van de daadwerkelijke diagnose). Zo werd bij 29 van de 99 patiënten met een myocardinfarct de diagnose niet als zodanig geregistreerd. Factoren die geassocieerd waren met een incorrecte ICPC-registratie waren; een lagere leeftijd (<65 jaar) (OR 1.59 [95%-CI: 1.20-2.12]), gebruik van medicatie (OR 1.40 [1.04-1.87]), aanwezigheid van risicofactoren voor cardiovasculaire ziekten (OR 1.33 [1.01-1.75]) en een urgente verwijzing na contact met de HAP (OR 2.05 [1.60-2.63]).

Conclusie

Misregistratie van ICPC-codes in de dossiers van patiënten die eerder de huisartsenpost met acute thoracale klachten hebben benaderd komt frequent voor. Dit leidt in veel gevallen tot onjuiste of ontbrekende diagnoses in het patiëntendossier en heeft mogelijk gevolgen voor de kwaliteit van zorg.

Inleiding

Binnen de medische wereld is er toenemend aandacht voor expert systems, machine learning en deep learning als onderdelen van wat vaak overkoepelend artificial intelligence wordt genoemd. Machine learning wordt op dit moment vooral gebruikt in de radiologie, dermatologie en pathologie. Binnen de huisartsenzorg zou machine learning kunnen helpen om de diagnostische precisie van huisartsen te verbeteren. Huisartsen combineren de klacht van de patiënt met leeftijd en geslacht, en schatten op die manier waarschijnlijkheidsdiagnosen. Het leerboek Diagnostiek van alledaagse klachten kent deze systematiek in ieder hoofdstuk. De vraag is of het stellen van de juiste diagnose kan worden verbeterd door het toevoegen van andere variabelen, zoals bijvoorbeeld de medische voorgeschiedenis en andere contextfactoren van de patiënt. Machine learning zou kunnen helpen om deze complexe verbanden te analyseren en daarmee betere voorspellingen te kunnen doen voor een einddiagnose.

Onderzoeksvraag

Kan machine learning gebruikt worden om de einddiagnose te voorspellen op basis van verschillende patiëntkenmerken?

Methode

De data voor dit onderzoek komt van een eerstelijns registratie netwerk (Family Medicine Network (FaMe-Net)). In dit netwerk leggen huisartsen voor ieder patiëntencontact de reden van komst, de diagnose en de diagnostische en therapeutische interventies vast. Uit dit netwerk selecteerden we episodes met de 15 meest voorkomende redenen van komst. Er werden twee machine learning modellen gebruikt om de einddiagnose te voorspellen op basis van de reden van komst, leeftijd en geslacht. Aan deze machine learning modellen was de medische voorgeschiedenis als voorspeller toegevoegd. Deze voorspellingen werden vergeleken met modellen waarin medische voorgeschiedenis niet werd meegenomen (conditionele kansen). De resultaten van machine learning en conditionele kansen werden beoordeeld op performance, ofwel de gemiddelde nauwkeurigheid per einddiagnose en de accuracy, namelijk het aantal keren dat de voorspelling juist was.

Resultaten

De dataset bevatte 143.818 patiëntencontacten, van 35.754 patiënten. De gemiddelde leeftijd van patiënten in de contacten was 37 jaar, 53.8% van de patiënten was vrouw. We vonden bij de machine learning modellen, waarbij de medische voorgeschiedenis werd meegenomen, een verbeterde performance en accuracy ten opzichte van het conditionele kansen model. We vonden een scheve verhouding in de verdeling van de einddiagnoses, dit kan een vertekend beeld van je voorspelling geven. Een bovenste luchtweginfectie komt bijvoorbeeld veel vaker voor dan een pneumonie, waardoor een model de neiging heeft dat te voorspellen en andere belangrijke variabelen niet mee te nemen, terwijl die variabelen juist kunnen wijzen op een pneumonie.

Conclusie

Machine learning modellen zijn beter in het voorspellen van de einddiagnose dan traditionele modellen. Het verschil is echter minimaal. Redenen waarom de performance en accuracy van machine learning tegenvallen lijken vooral voort te komen uit de scheve verdeling van de einddiagnoses. Een andere oorzaak is het beperkt aantal data; door de uitgebreide voorgeschiedenis van veel patiënten wordt iedere patiënt door machine learning al snel als uniek beschouwd en is er relatief veel data nodig om een model een goede voorspelling te laten doen. Machine learning voor het verbeteren van beslisondersteuning is beloftevol, maar levert nog niet voldoende op. Het verzamelen van meer data kan hierin een uitkomst bieden.

Introductie

Patellofemorale pijn (PFP) is een niet-traumatische knie klacht die voornamelijk in fysiek actieve adolescenten en jongvolwassenen geobserveerd wordt.

Onderzoeksvraag

Wat is de incidentie en behandeling van PFP in de Nederlandse huisartsenpraktijk

Methode

Een retrospectieve cohort studie werd gedaan in de Rijnmond Gezond database(een regio-specifieke afgeleide van de IPCI database), met het volledige elektronische medische dossier van ongeveer 200.000 patiënten in de huisartspraktijk. Patiënten tussen de 7 en 25 jaar met een nieuwe diagnose van PFP tussen 1 Januari 2013 en 31 December 2019 werden geselecteerd op basis van de ICPC codes voor PFP (L99.07) of voor knieklachten (L15.00) in combinatie met zoektermen in de vrije tekst. Per patiënt werd vervolgens middels de SOEP-regels het aantal consulten en de behandeling per consult genoteerd.

Resultaat

De incidentie in de onderzoekspopulatie was 3,4 (95% CI 3,2-3,6) per 1000 persoonsjaren in de leeftijd van 7 tot 25 jaar. Meisjes hadden een hoger incidentie (4.6 (95% CI 4.3-5.0)) vergeleken met jongens (2,3 (95% CI 2,1-25)). Voor zowel meisjes als jongens was de piekincidentie op de leeftijd van 13. De meest toegepaste behandeling was advies (55,1%), gevolgd door een verwijzing naar de fysiotherapeut (28,2%), pijnstilling (10,4%) en verwijzing naar de orthopeed (8,9%).

Conclusie

Een gemiddelde Nederlandse Huisartspraktijk ziet ongeveer 1,4 nieuwe PFP patiënten per jaar. Advies, bestaande uit rust, expectatief beleid en instructies voor oefeningen was de meest toegepaste behandeling, gevolgd door een verwijzing naar fysiotherapie. Wat in overeenstemming is met de adviezen van de huidige NHG-richtlijn voor niet-traumatische knieklachten.

Workshops

Zijn er zaken die belangrijk zijn, maar die u eigenlijk nooit bespreekt met elkaar? Welke onderwerpen houdt u liever onder de mat?  Deze workshop gaat in op de oorzaken van taboes bij een PhD-begeleiding.  Aletta Wubben geeft trainingen voor zowel promovendi als begeleiders en vertelt u tijdens deze workshop wat er vaak misgaat. Nog interessanter: vraag het eens kritisch aan elkaar. Wilt u het optimale halen uit de PhD-begeleiding? Volg dan deze workshop

Open science is ‘het nieuwe normaal’ van wetenschappelijk onderzoek. Maar wat is het en wat betekent het voor wetenschappelijk onderzoek in de huisartsgeneeskunde?
Er zijn verschillende aspecten van open science die u kunt toepassen: Open Access en Open Data zijn bekende voorbeelden. Maar er zijn veel meer manieren om het onderzoeksproces in te richten volgens open science principes. We bespreken verschillende vormen hiervan. Vervolgens gaat u aan de slag met het toepassen van een zelfgekozen open science principe op uw eigen onderzoek.
Na het volgen van deze workshop weet u wat concrete, haalbare opties zijn om uw onderzoek meer open te maken.

Parallelsessie 3

Voordrachten 1 NAPCRG (Engels)

Importance

Frailty and multimorbidity are common in type 2 diabetes, including in middle-aged people (<65 years). Clinical guidelines recommend adjustment of treatment targets in people with frailty or multimorbidity. However, guidelines do not specify how frailty/multimorbidity should be identified. It is not clear if recommendations should be applied to people with frailty/multimorbidity at younger ages.

Objective

Assess prevalence and clinical implications of frailty/multimorbidity in middle- to older-aged people with type 2 diabetes using four different measures.

Design

Cohort, baseline 2006-2010, median 8 years follow-up.

Setting

Community

Participants

UK Biobank participants (n=20,566) with type 2 diabetes aged 40-72 years.

Exposures

Four measures of frailty (frailty phenotype and frailty index) and multimorbidity (Charlson Comorbidity index and numerical count of long-term conditions (LTCs)).

Outcomes

Mortality (all-cause, cardiovascular- and cancer-related mortality), Major Adverse Cardiovascular Event (MACE), hospitalization with hypoglycaemia, hospitalization with fall or fracture.

Results

Frailty and multimorbidity are prevalent in in people with type 2 diabetes from age 40-72. Individuals identified differed depending on which measure was used: 42% frail of multimorbid by at least one scale; 2.2% were identified by all four scales. Each measure was associated with increased risk of mortality (all-cause, cardiovascular, and cancer-related), MACE, hypoglycaemia and falls. The absolute risk of 5-year mortality was higher in older versus younger participants with a given level of frailty (e.g. 1.9%, 4.4%, and 9.9% in men aged, 45, 55, and 65, respectively, using frailty phenotype) or multimorbidity (e.g. 1.3%, 3.7%, and 7.8% in med with 4 long-term conditions aged 45, 55, and 65, respectively). No measure was associated with baseline HbA1c. For the frailty index, Charlson Comorbidity index, and LTC count, the relationship between HbA1c and mortality was consistent across all levels of frailty/multimorbidity. For the frailty phenotype, the relationship between HbA1c and mortality was steeper and more linear in frail compared with pre-frail or robust participants.

Conclusion

Assessment of frailty/multimorbidity should be embedded within routine management of middle-aged and older people with T2D. Method of identification as well as features such as age impact baseline risk and should influence clinical decisions (e.g. glycaemic control).

Objectives

Serious adverse events at out-of-hours services in primary care (OHS-PC) are rare, and the most often concern is missed acute coronary syndrome (ACS). Previous studies on serious adverse events mainly concern root cause analyses, which highlighted errors in the telephone triage process but are hampered by hindsight bias. This study compared the recorded triage calls of patients with chest discomfort contacting the OHS-PC in whom an ACS was missed (cases), with triage calls involving matched controls with chest discomfort but without a missed ACS (controls), with the aim to assess the predictors of missed ACS.

Methods

A case-control study with data from 2013 to 2017 of 9 OHS-PC in the Netherlands. The cases were matched 1:8 with controls based on age and sex. Clinical, patient, and call characteristics were univariably assessed, and general practitioner experts evaluated the triage while blinded to the final diagnosis or the case-control status.

 Results

Fifteen missed ACS calls and 120 matched control calls were included. Cases used less cardiovascular medication (38.5% versus 64.1%, P = 0.05) and more often experienced pain other than retrosternal chest pain (63.3% versus 24.7%, P = 0.02) compared with controls. Consultation of the supervising general practitioner (86.7% versus 49.2%, P = 0.02) occurred more often in cases than in controls. Experts rated the triage of cases more often as “poor” (33.3% versus 10.9%, P = 0.001) and “unsafe” (73.3% versus 22.5%, P < 0.001) compared with controls.

Conclusions

To facilitate learning from serious adverse events in the future, these should also be bundled and carefully assessed without hindsight bias and within the context of “normal” clinical practice.

Atriumfibrilleren (AF) is geen geïsoleerde hartritmestoornis, maar een signaal van cardiometabole veroudering. Een integraal zorgprogramma, georganiseerd vanuit de huisartsenpraktijk, blijkt de algehele sterfte onder oudere patiënten met AF aanmerkelijk te verlagen. Een apart ‘ketenzorgprogramma AF’ boven op de reeds bestaande ketenzorgprogramma’s voor diabetes, CVRM en COPD is echter niet wenselijk, gezien de onderlinge verwevenheid van al deze chronisch progressieve cardiometabole ziekten. De auteurs pleiten daarom voor een overkoepelend ketenzorgprogramma ‘integrale cardiometabole zorg’.

Do’s and don’ts voor vrije tekst-analyse in EPD’s en klinische notities 

Prof. Dr. Marco Spruit, Hoogleraar Translationele Datawetenschap in Populatiegerichte Zorg (LUMC/LIACS)

De journaalteksten in het HIS en klinische notities bevatten een schat aan patiëntinformatie die nergens anders is vastgelegd. Bijvoorbeeld over bijwerkingen van geneesmiddelen (ADR’s). Kennis hierover is beperkt doordat het niet gestructureerd is vastgelegd. In de HIS-journaalteksten en EPD-klinische notities worden bijwerkingen namelijk wel vermeld in de vrije tekst. Tijdens deze worskhop leert u op welke manier vrije tekstinformatie het behandelproces kan verbeteren. Dit doen we aan de hand van enkele voorbeeldstudies:

  • Op conceptueel niveau bekijken we enkele Natural Language Processing (NLP) technieken aan de ADRIN methode. Deze zijn pas ontwikkeld voor het herkennen van ADR’s in Nederlandse klinische aantekeningen van de Cardiologie Centra Nederland.
  • We nemen de resultaten door van een lopende studie naar het extraheren van leefstijlkenmerken zoals rookstatus uit HIS-journaalteksten.
  • Als laatste gaan we in op de voorspellende waarde van vrije tekstinformatie in het EPD. Voorspellende waarden voor het vroegtijdig herkennen van verhoogde risico’s op agressie incidenten bij psychiatrische patiënten.

Voordrachten 2 (Nederlands)

Inleiding

Het identificeren van vroege symptomen van hart- en vaatziekten bij mensen met type 2 diabetes (T2D) is belangrijk, want vroegtijdige behandeling kan complicaties voorkomen. Eerder hebben wij laten zien dat elektrocardiogram (ECG) afwijkingen voorkomen bij 24,0% van de mensen met T2D zonder al aanwezige hart- en vaatziekten. Deze ECG-afwijkingen kunnen een voorbode zijn van toekomstige manifeste hartziekte.

Onderzoeksvraag

Zijn (veranderingen in) verschillende typen ECG-afwijkingen geassocieerd met de incidentie van hartziekte bij mensen met T2D zonder pre-existente hart- en vaatziekten?

Methode

Een prospectieve studie bij 11.993 mensen met T2D zonder voorgeschiedenis van hart- en vaatziekten uit het Hoorn Diabetes Zorgsysteem cohort. Tussen 1998-2018 zijn jaarlijks een rust-ECG afgenomen, cardiovasculaire risicofactoren gemeten en zelf-gerapporteerde episodes van ernstige hart- en vaatziekten geregistreerd (>70.000 jaarlijkse metingen). ECG-afwijkingen zijn gedefinieerd op basis van de Minnesota classificatie voor ECG bevindingen en gecategoriseerd in: atrioventriculaire geleidingsstoornissen, ventriculaire geleidingsstoornissen, links gedraaide elektrische hart-as, systolisch ischemische afwijkingen, diastolisch ischemische afwijkingen en hypertrofische afwijkingen. Manifeste hartziekten zijn gedefinieerd als coronaire hartziekte, hartfalen of plotse hartstilstand. Met tijdsafhankelijke Cox-regressie analyses is de longitudinale associatie onderzocht tussen de zes typen ECG-afwijkingen en de incidentie van hartziekten, gecorrigeerd voor gebruikelijke cardiovasculaire risicofactoren en medicatie gebruik (Hazard Ratio’s; 95% betrouwbaarheidsinterval).

Resultaat

Gedurende een mediane follow-up van 6,6 (IQR, 3,1-10,7) jaar, hadden 5.445 (45,4%) deelnemers een ECG-afwijking (prevalent of incident) tijdens tenminste één van de mediane 6 (IQR, 3-10) jaarlijkse ECG-opnames, en manifesteerde zich bij 905 (7,5%) deelnemers een hartziekte (529 coronaire hartziekte, 250 hartfalen, 126 plotse hartstilstand). Na correctie voor gebruikelijke cardiovasculaire risicofactoren en medicatie gebruik, waren ventriculaire geleidingsstoornissen (HR, 2,12 (95%CI, 1,66-2,70)), systolisch ischemische afwijkingen (2,85 (1,47-5,52)), diastolisch ischemische afwijkingen (2,44 (1,83-3,26)), en hypertrofische afwijkingen (1,38 (1,01-1,89)) significant geassocieerd met de incidentie van hartziekten, hoofdzakelijk met hartfalen. De associaties waren hetzelfde voor subgroepen op basis van leeftijd, geslacht en hypertensie status.

 Conclusie

Bij mensen met T2D zonder pre-existente hart- en vaatziekten zijn ECG-afwijkingen vroege aanwijzingen voor de toekomstige manifestatie van hartziekte, in het bijzonder hartfalen.

Inleiding

Plotselinge hartstilstand is een relevant gezondheidsprobleem dat vaak mensen treft met een niet onderkend risico op plotselinge hartstilstand. Slechts 6-20% van de getroffen slachtoffers overleven de hartstilstand. Vergeleken met de algehele bevolking hebben mensen met type 2 diabetes (T2D) een twee keer hoger risico op een plotselinge hartstilstand. Daarbij hebben mensen met T2D in Nederland uitgebreide dossiers bij hun huisarts, omdat ze regelmatig op controle komen voor hun diabetes. Het bestuderen van deze dossiers met reguliere zorg gegevens zou kunnen leiden tot nuttige aanknopingspunten voor het onderkennen van risico op plotselinge hartstilstand.

Onderzoeksvraag

We hebben de haalbaarheid en zinvolheid van deze aanpak onderzocht door de associatie te analyseren tussen plotselinge hartstilstand en klinische karakteristieken die routinematig gemeten worden in de huisartsenpraktijk bij mensen met T2D.

Methode

In dit case-controle onderzoek zijn plotselinge hartstilstand cases gebruikt uit het AmsteRdam REsuscitation STtudies (ARREST) cohort. Dit is een doorlopend register van extramurale reanimaties uitgevoerd door spoedeisende hulpdiensten in de provincie Noord-Holland sinds 2005. In het huidige onderzoek zijn plotselinge hartstilstand cases geïncludeerd van tussen 2007-2018 die T2D hadden en een veronderstelde cardiale oorzaak van de hartstilstand. Deze cases zijn vergeleken met tot maximaal vijf op leeftijd en geslacht gematchte controles die ook T2D hadden uit dezelfde huisartsenpraktijk. We hebben de digitale dossiers verzameld van zowel de cases als de controles die stonden ingeschreven bij huisartspraktijken van het PHARMO databank netwerk of het Academische Huisartsennetwerk van het Amsterdam UMC. Uit deze dossiers hebben we de metingen geëvalueerd die het dichtstbij de plotselinge hartstilstand datum van de case lagen. Met univariabele en multivariabele logistische regressie is de associatie onderzocht tussen klinische karakteristieken (lichamelijk onderzoek, laboratorium uitslagen, medische voorgeschiedenis en medicatie gebruik) en plotselinge hartstilstand (Odds Ratio’s; 95% betrouwbaarheidsinterval).

Resultaat

We hebben in totaal 1385 huisartsdossiers verzameld, van 246 plotselinge hartstilstand cases en 1112 controles met T2D. Matig tot ernstig verhoogde albuminurie (OR, 2,66 (95%CI, 1,26-5,62)), actief roken (1,84 (1,08-3,14)), en een voorgeschiedenis van hart- en vaatziekten (1,50 (1,08-2,08)) of microvasculaire complicaties (1,57 (1,01-2,44)) waren significant geassocieerd met plotselinge hartstilstand bij mensen met T2D. HbA1c, nuchtere bloedsuikerspiegel en cholesterol waren niet geassocieerd met plotselinge hartstilstand.

Conclusie

Sommige gebruikelijke cardiovasculaire risicofactoren die routinematig geregistreerd worden in de huisartsdossiers van mensen met T2D zijn geassocieerd met plotselinge hartstilstand. We zagen relatief sterke associaties, ondanks de beperkte aantal cases en controles in onze steekproef. Dit geeft aan dat het haalbaar en zinvol is om huisartsdossiers te bestuderen in relatie tot plotselinge hartstilstand. Toekomstig en meer uitgebreid onderzoek zou daarom wel eens kunnen leiden tot nuttige aanknopingspunten voor het herkennen van mensen met een hoger risico op plotselinge hartstilstand.

Inleiding

Lichamelijke klachten zonder eenduidige biomedische oorzaak komen veel voor en beslaan tot 50% van consulten in de huisartspraktijk. In 2,5-10% van deze patiënten houden de klachten langdurig aan en spreken we van aanhoudende lichamelijke klachten (ALK). Vroegtijdige herkenning van ALK is wenselijk, omdat dan wellicht het beloop tijdig kan worden beïnvloed.

Onderzoeksvraag

Met welke combinatie van dossiergegevens uit de huisartspraktijk kunnen we ALK het beste vroegtijdig identificeren?

Methode

We voerden een cohort studie uit in routinezorgdata van 76 huisartspraktijken die zijn aangesloten bij het extramuraal LUMC academisch netwerk (eLAN). Inclusiecriteria voor patiënten omvatten: minimaal 7 jaar ingeschreven; ICPC-code registratie aanwezig; en, minimaal 10 contacten tussen 2010-2018. Patiënten met een eerste ALK registratie zijn geselecteerd (in 2017-2018). Patiënten die vóór 2017 een ALK registratie hadden zijn geëxcludeerd. Kandidaat determinanten zijn 2 jaar vóór de eerste registratie van ALK geselecteerd. Determinanten zijn in te delen in 7 coderingen (ICPC, ATC, verwijzingen, patroonherkenning en veranderende lab resultaten) en enkele theoriegedreven categorieën (risicofactoren op basis van de literatuur en vrije tekst termen). In totaal zijn er op basis van alle bovengenoemde categorieën 12 modellen ontwikkeld, waaronder een baseline model, welke geslacht, leeftijd en consult frequentie omvat, en een model met alle kandidaat determinanten (volledige model)). Modellering vond plaats middels LASSO logistische regressie.

Resultaat

Van de 307.157 patiënten in de ELAN-H database, zijn 94.440 patiënten geïncludeerd in de studie. Hiervan zijn 902 (1%) geïdentificeerd als patiënten met ALK. Alle modellen hebben overwegend vergelijkbare voorspellende waarde (AUC’s tussen .68 (baseline) en .72 (volledig model)). In het gunstigste geval kunnen we op basis van de huidige modellen 40.4% van de geïncludeerde populatie herkennen als patiënten met verhoogd risico op ALK. Determinanten uit het volledige model behoren vooral tot variabelen gebaseerd op de literatuur en ATC-codes. De baseline variabelen vrouwelijk geslacht (OR=1.13) en leeftijd (OR=.82) voorspelde ALK significant, maar consultfrequentie niet. Determinanten uit verschillende categorieën hadden vaak overlappende etiologie of constructen, zoals bijvoorbeeld spijsverteringssymptomen (ICPC) en gebruik van geneesmiddelen tegen constipatie (ATC).

 Conclusie

Vanwege de relatieve eenvoud en AUC’s hebben modellen op basis van gecodeerde ICPC- of ATC-codes de voorkeur. Deze kunnen klinisch worden gebruikt voor het identificeren van risicopatiënten in combinatie met een eenvoudig screeningsinstrument. Dat een groot deel van de determinanten van ALK (volledige model) uit geconstrueerde variabelen bestaat en er overlap is in determinanten die voorspellend uit het volledige model komen, wijst op een registratieprobleem. Mogelijk kan een model op basis van nog strakker gedefinieerde en geëxtraheerde determinanten de voorspellende waarde verhogen, maar dit vraagt op dit moment nog veel niet-geautomatiseerde arbeid.

Inleiding

Protonpompremmer (PPI) indicaties beperken zich tot gastro-intestinale aandoeningen en als ulcusprofylaxe. Toch behoren PPI’s tot de meest voorgeschreven medicijnen.

Onderzoeksvraag

Deze studie evalueerde de correctheid van PPI voorschriften volgens geldende richtlijnen, en identificeerde voorspellende factoren voor ongepast PPI gebruik in de eerste lijn.

Methode

We gebruikten een Nederlandse eerstelijns patiëntendatabase met alle nieuwe PPI voorschriften tussen 2016 en 2018. Individuele patiëntgegevens en details over PPI gebruik werden verzameld. De correctheid van het starten en voortzetten van PPI therapie werd beoordeeld aan de hand van de op dat moment geldende richtlijnen.

Resultaat

We evalueerden 148.926 patiënten (≥ 18 jaar) uit 27 Nederlandse huisartspraktijken, waarvan 23.601 (16%) patiënten startten met PPI therapie (gemiddelde leeftijd 57 ± 17 jaar, 59% vrouw). Correcte PPI indicaties werden op moment van starten geïdentificeerd bij 10.466 PPI gebruikers (44%). Voorspellers voor onjuist geïnitieerd PPI gebruik waren een hogere leeftijd (OR 1.03, 95% CI 1.03-1.03), en gebruik van niet-selectieve NSAID’s (OR 5.15, 95% CI 4.70-5.65), P2Y12-remmers (OR 5.07, 95% CI 3.46-7.41), coxibs (OR 3.93, 95%CI 2.92-5.28) en laag gedoseerde aspirines (OR 3.83, 95%CI 3.07-4.77). Ondanks een aanvankelijke correcte indicatie werd het gebruik van PPI ongepast voortgezet bij 32% van de patiënten die kortdurende PPI therapie kregen voor dyspepsie en bij 11% van de patiënten die PPI therapie gebruikten als ulcusprofylaxe.

Conclusie

Meer dan de helft van de PPI gebruikers bleek geen geldende indicatie hiervoor te hebben. Onnodige ulcusprofylaxe was de belangrijkste oorzaak van ongepast starten van PPI’s. Patiënten die een PPI kregen voor dyspepsie of als ulcusprofylaxe hadden een verhoogd risico op ongepast voortzetten hiervan. Om ongepast PPI gebruik te verminderen, raden we strategieën aan die specifiek gericht zijn op deze patiëntengroepen.

Korte presentaties 1

Inleiding

Urineweginfecties (UWI’s) behoren tot de meest voorkomende infecties, met name bij vrouwen. Vaak worden UWI’s behandeld met antibiotica, maar dit is niet altijd nodig. Bijvoorbeeld in het geval van ongecompliceerde urineweginfecties, zoals een blaasontsteking (cystitis) bij gezonde niet-zwangere vrouwen. In deze groep is het mogelijk om te kiezen voor een afwachtend beleid of een uitgesteld antibioticarecept. Samen beslissen is een gespreksstrategie die kan worden gebruikt om het risico op onnodige antibiotica recepten te verlagen. Het is nog onduidelijk in welke mate Samen beslissen gebruikt wordt bij de behandeling van ongecompliceerde UWI’s in de huisartsenpraktijk.

Onderzoeksvraag

Hoe is de zorg in de huisartsenpraktijk voor UWI’s georganiseerd? Wordt Samen beslissen gebruikt bij de behandeling van ongecompliceerde UWI’s en hebben zorgverleners en vrouwen met een ongecompliceerde UWI hier behoefte aan?

Methode

Een semigestructureerde interview studie met vrouwen met een UWI, doktersassistenten en huisartsen. De studie werd uitgevoerd in Nederland in de periode van juli tot oktober 2020.

Resultaten

In totaal werden er 23 vrouwen, 12 doktersassistenten en 12 huisartsen geïnterviewd. In alle huisartsenpraktijken was de doktersassistent het eerste aanspreekpunt voor de diagnostiek en het voorstel voor de behandeling van ongecompliceerde UWI’s. Meestal werd een behandeling met antibiotica beschouwd als de standaard behandeling van UWI’s. Samen beslissen werd niet vaak toegepast bij de behandeling van ongecompliceerde UWI’s en dit kwam meestal door een gebrek aan tijd. Vrouwen gaven aan dat ze het waardeerden als ze werden betrokken bij het behandelproces. Ook vertelden zij dat ze de meeste informatie over UWI’s zelf hadden vergaard, bijvoorbeeld via familie of vrienden. Zowel vrouwen, doktersassistenten als huisartsen dachten dat het gebruik van Samen beslissen de zorg rondom ongecompliceerde UWI’s zou kunnen verbeteren. Huisartsen gaven hierbij aan dat bijvoorbeeld doktersassistenten hier een rol in konden spelen.

 Conclusie

Samen beslissen werd niet vaak toegepast in de behandeling van ongecompliceerde UWI’s bij vrouwen. Om meer Samen beslissen te gebruiken bij de behandeling van ongecompliceerde UWI’s in de huisartsenpraktijk is een op maat gemaakte interventie nodig. Hiermee zou ook het risico op onnodige antibioticarecepten voor ongecompliceerde UWI’s kunnen worden verlaagd. Aangezien doktersassistenten een belangrijke rol spelen in de zorg rondom UWI’s zouden ook zij betrokken moeten worden bij de implementatie van Samen beslissen. Op dit moment vindt er een vervolgproject plaats, waarin onderzoek wordt gedaan naar de belemmerende en bevorderende factoren voor het toepassen van Samen beslissen voor ongecompliceerde UWI’s in de huisartsenpraktijk.

Inleiding

Helicobacter pylori (H. pylori) infecties zijn geassocieerd met chronische gastritis, maagzweren en maagkanker. De gerapporteerde prevalentie varieert van 19-35%. De effectiviteit van H. pylori eradicatie behandeling is wereldwijd afgenomen door toegenomen antibiotica resistentie.

Onderzoeksvraag

Deze studie onderzoekt het succes van eradicatiebehandeling van H. pylori in de eerste lijn in Nederland, als een afgeleide maat voor ontwikkeling van antibiotica resistentie.

Methode

Deze observationele cohortstudie gebruikt routine data vanuit Elektronische patiëntendossiers van huisartspraktijken in de regio Leiden/Den Haag, aangesloten bij het eerstelijns netwerk ELAN (Extramural LUMC Academic Network). Patiënten met een ICPC-code voor maagklachten en/of een ATC-code voor zuurremmende medicatie in de periode 2010-2020 werden geselecteerd. Patiënten met een H. Pylori infectie waren gedefinieerd als patiënten die een eradicatiebehandeling kregen. Wij onderzochten of een tweede eradicatiebehandeling werd voorgeschreven in de 12 maanden na de eerste eradicatiebehandeling, wat werd geduid als antibiotica resistentie. De soorten antibiotica voorgeschreven als eerste of tweede eradicatiebehandeling werden geanalyseerd. Als er binnen een jaar geen tweede eradicatiebehandeling was voorgeschreven, werd aangenomen dat de eradicatiebehandeling succesvol was geweest.

Resultaat

Er werden 138.455 patiënten met maagklachten en/of zuurremmende medicatie geïdentificeerd uit 80 huisartspraktijken. De gemiddelde leeftijd was 57 jaar (SD 18.2) en 43% was man. Een eerste eradicatiebehandeling werd gestart in 5.224 (4%) patiënten, die daarom werden beschouwd als H. pylori positief. De antibiotica behandelcombinaties amoxicilline-claritromycine, amoxicilline-metronidazol en claritromycine-metronidazol werden voorgeschreven in respectievelijk 4,847 (93%), 154 (3%) en 111 (2%) patiënten. Een tweede eradicatiebehandeling binnen 12 maanden werd voorgeschreven in 416 (8%) patiënten. Deze 416 patiënten werden beschouwd als resistent tegen de eerste behandeling. Hiervan kregen 380 (91%) patiënten amoxicilline-claritromycine als initiele behandeling, 16 (4%) amoxicilline-metronidazol en 11 (3%) claritromycine-metronidazol.

 Conclusie

Ongeveer een tiende van de H. pylori infecties in de eerste lijn werden niet succesvol behandeld met een eerste eradicatiebehandeling met claritromycine en/of metronidazol, en hadden daarom een tweede eradicatiebehandeling nodig.

Inleiding

Virale hepatitis B en C zijn geassocieerd met levercirrose en primaire leverkanker (hepatocellulair carcinoom). In Nederland wordt de prevalentie geschat op 0.3% voor hepatitis B en 0.2% voor hepatitis C. Ondanks dat de huidige behandelopties in de afgelopen jaren sterk zijn verbeterd, sterven jaarlijks nog ongeveer 500 patiënten aan de gevolgen van virale hepatitis. De huidige NHG-richtlijn adviseert halfjaarlijkse surveillance van patiënten met chronische hepatitis B inclusief verwijzing van elke actieve hepatitis B (hepatitis B e antigen [HBeAg]-positief en/of verhoogt ALAT) en hepatitis C patiënt naar een hepatitis behandelcentrum. Echter, is de naleving van deze richtlijn, alsmede de prevalentie van virale hepatitis B en C in de eerste lijn in Nederland, onbekend.

Onderzoeksvragen

(1) Wat is de prevalentie van hepatitis B en C in de eerste lijn en (2) hoe is de naleving van de NHG richtlijn virale hepatitis?

Methode

Dit is een retrospectieve cohort studie waarbij gebruik is gemaakt van de Rijnmond Gezond Database. Deze database bevat de medische gegevens van ongeveer 200.000 patiënten die routinematig door de huisartsen in de omgeving van Rotterdam zijn verzameld. Patiënten zijn geselecteerd op basis van bloeduitslagen (positief hepatitis B surface antigeen [HBsAg] en/of antistoffen tegen hepatitis C [anti-HCV]), International Classification of Primary Care (ICPC) codes (D72.02-05) en vrije tekst, in de studieperiode 01-01-2013 t/m 31-12-2019.

Resultaten

In totaal werden 977 patiënten geïncludeerd; 717 hepatitis B, 252 hepatitis C, en 8 co-geïnfecteerde patiënten. Tussen 2013 en 2019 daalde de prevalentie van hepatitis B en hepatitis C respectievelijk met 5,21 tot 2,99/1.000 persoonsjaren (-43%) en van 1,50 tot 0,70/1.000 persoonsjaren (-53%). We observeerden dat het merendeel van de patiënten ooit in zijn/haar leven werd verwezen naar een medisch specialist (MDL-arts of internist-infectioloog): 71% van de hepatitis B en 89% van de hepatitis C patiënten. Van de 406 chronische hepatitis B patiënten werd echter 15% van de patiënten adequaat gesurveilleerd door hun huisarts (≥2 ALAT controles in 3 jaar) en was 46% onder controle bij een medisch specialist (tenminste 1 poliklinische brief) durende de studieperiode. Dus 36% werd niet adequaat gesurveilleerd. Daarnaast werden 113/153 (74%) chronisch hepatitis C patiënten behandeld met antivirale therapie. Van deze 113 patiënten, hadden 68 patiënten (44%) echter geen geregistreerde melding van virale eradicatie en zouden dus nog steeds chronisch geïnfecteerd kunnen zijn op 31-12-2019.

Conclusie

Onze studie toonde een daling in de prevalentie van virale hepatitis B en C in de eerste lijn in Rotterdam. Echter, een substantieel deel van de patiënten werd niet adequaat gesurveilleerd of behandeld met antivirale therapie. Het is daarom van essentieel belang om de huisarts meer te betrekken in de zorg van hepatitis patiënten. Meerdere interventies zouden nodig kunnen zijn om de zorg in eerste lijn te verbeteren. Voorbeelden hiervan zijn: een automatisch oproepsysteem voor halfjaarlijkse controle afspraken, pop-up meldingen in het patiëntendossier die de huisarts herinnert aan screening, surveillance of verwijzing van patiënten, en het vergroten van de kennis over virale hepatitis door middel van nascholing.

Inleiding

Urineweginfecties (UWIs) komen bij mannen veel minder voor dan bij vrouwen. Voor de juiste behandeling van mannen is daardoor slechts weinig bewijs voorhanden. Als gevolg hiervan worden mannen behandeld op basis van indirect bewijs uit onderzoek bij vrouwen. Een potentieel probleem is dat het antibioticum van eerste keus bij vrouwen zonder tekenen van weefselinvasie (nitrofurantoïne), een hogere kans op falen geeft bij gebruik bij mannen. De theorie is dat bij mannen de prostaat ook geïnfecteerd is zonder dat daarbij tekenen van weefselinvasie ontstaan.

Doelstelling

Het doel van ons onderzoek was het bepalen van het risico op falen van antibiotische therapie in volwassen mannen, die door hun huisarts voor een UWI zonder tekenen van weefselinvasie werden behandeld. Tevens werd de adherentie van de huisartsen aan de huidige UWI richtlijn van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) bepaald met betrekking tot de antibiotische behandeling van mannen met een UWI.

Methode

We voerde een retrospectief observationeel cohort onderzoek uit, waarbij we gebruik maakten van elektronische patiënten data van het Julius Huisartsen Netwerk. Medische gegevens, beschikbaar van 2014 tot en met 2019, van 10.055 UWI episodes (6.903 patiënten) werden gescreend op tekenen van weefselinvasie, switches van antibiotica en verwijzingen. Therapiefalen werd gedefinieerd als een voorschrift voor een ander antibioticum binnen 30 dagen of een acute verwijzing naar het ziekenhuis. De invloed van leeftijd en comorbiditeiten op het falen van antibiotica werden bepaald middels multivariate logistische regressie. Chi-kwadraat toetsen werden gebruikt om de kansen op therapiefalen te vergelijken. Resultaten: In 6.805 (68%) UWI episodes waren er geen tekenen van weefselinvasie, binnen deze episodes faalde 25% van de nitrofurantoïne voorschriften, wat hoger is dan bij ciprofloxacine (10%; OR, 0.36; 95%-BI 0.31-0.43), augmentin (20%; OR,0.75; 95%-BI 0.59-0.95) en co-trimoxazol (14%; OR, 0.50; 95%-BI 0.36-0.71). Het falen van nitrofurantoïne nam toe met de leeftijd (18-39 jaar: 13%, 40-64 jaar: 22%, 65-79 jaar: 27% en >80 jaar: 29%; OR, 1.02; 95%-BI 1.01-1.02). Comorbiditeiten, gecorrigeerd voor leeftijd, waren niet geassocieerd met een hogere kans op falen van nitrofurantoïne. Huisartsen behandelden 62% van de UWI episodes zonder tekenen van weefselinvasie volgens de huidige NHG richtlijn met betrekking tot urineweginfecties.

Conclusie

Gezien de hoge kans op therapiefalen, moet het gebruik van nitrofurantoïne als middel van eerste keus bij mannen met een UWI zonder tekenen van weefselinvasie worden heroverwogen, in het bijzonder bij oudere mannen

Inleiding

Griepvaccinatie is belangrijk voor grieppreventie. Recent onderzoek laat echter zien dat gevaccineerden vaker de huisarts bezoeken voor een influenza-achtig ziektebeeld (IAZ), bovenste luchtweginfectie (BLWI) en longontsteking dan niet-gevaccineerden. Dit is verontrustend, belangrijk, en omgeven met vragen. Er is dus noodzaak voor verder onderzoek.

Onderzoeksvragen

Blijven de eerdere resultaten overeind in recentere seizoenen (2016-2020) met een grotere onderzoekspopulatie?

Hebben griep-gevaccineerden ook een hogere kans op voorschrijven van antibiotica?

Worden de resultaten verklaard door verschillen tussen gevaccineerden en niet-gevaccineerden, bijvoorbeeld wat betreft gezondheid en zorggebruik?

Methoden

Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van gegevens van huisartspraktijken die deelnemen aan Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn over de periode 2011-2020. Het aantal huisartsconsulten voor IAZ, BLWI, longontsteking en het aantal antibiotica voorschriften per week is vergeleken tussen gevaccineerden en niet-gevaccineerden. Dit is gedaan voor 4 leeftijdsgroepen en voor mensen met en zonder een medische indicatie voor vaccinatie. Met behulp van multilevel poisson regressie is een summary risk ratio (SRR) berekend, waarbij een SRR boven 1 aangeeft dat gevaccineerden meer kans hebben op de betreffende uitkomst en een SRR onder de 1 dat ze juist minder kans hebben op de uitkomst.

Om te corrigeren voor verschillen tussen gevaccineerden en niet-gevaccineerden hebben we via cross-over analyses mensen met zichzelf vergeleken in twee jaren; 59 jaar zonder vaccinatie en 60 jaar met vaccinatie. Ook hebben we gekeken naar controleaandoeningen waarvan we niet verwachten dat ze met griepvaccinatie samenhangen; fracturen, rugpijn, schouderpijn, gastro-intestinale infecties en huidinfecties.

Resultaten

Gevaccineerden hebben een licht verhoogde kans om de huisarts te bezoeken voor IAZ, BLWI en longontsteking (SRR(95%BI) respectievelijk 1.28 (1.20-1.37), 1.37 (1.33-1.40) en 1.34 (1.28-1.40)). Dit is vergelijkbaar met de eerdere resultaten die gingen over eerdere jaren en een kleinere populatie. Gevaccineerden krijgen ook vaker antibiotica voorgeschreven (SRR(95%BI) overall antibiotica 1.42 (1.38-1.46) en respiratoire antibiotica 1.43 (1.39-1.47)).

Bij de cross-over analyses zijn er geen verschillen tussen een jaar waarin mensen wel en een jaar waarin ze niet gevaccineerd zijn (SRR’s tussen 0.85 en 0.98 en 95%BI bevat 1). Bovendien bezoeken gevaccineerden de huisarts ook vaker voor de controleaandoeningen waarvan we verwachten dat ze niet met griepvaccinatie samenhangen (SRR’s tussen 1.15 en 1.34 en 95BI bevat geen 1).

Conclusie

De huidige resultaten bevestigen de eerdere bevindingen dat griep-gevaccineerden hun huisarts iets vaker bezoeken voor luchtweginfecties. Ook krijgen zij vaker antibiotica voorgeschreven. De resultaten van de cross-over analyses en controle aandoeningen wijzen erop dat dit komt door verschillen tussen gevaccineerden en niet-gevaccineerden. Voor we algemene conclusies aan onze resultaten kunnen verbinden willen we eerst kijken naar ziekenhuisopnames en sterfte.

Background

Until recently, studies show that children in the most socially deprived areas (SDA) consult their general practitioner (GP) more often than children in the least socially deprived areas (Non-SDA). Given that GPs see a wide range of diseases, it is important to know whether clinical diagnoses are shaped by socioeconomic factors in children.

Aim

Determine the association between social deprivation area and the rate of consultation in a pediatric primary care population.

Design and Setting

A cohort study using the Rijnmond Primary Care Database (RPCD). The RPCD hosts medical records of over 200 000 individuals living in the metropolitan city Rotterdam, the Netherlands.

Method

Between 2013 and 2020, a total of 69 861 children aged 0 to 17 years registered with a GP were analysed. Variables collected included: number of consultations per year, age, sex, social deprivation area group and International Classification of Primary Care (ICPC) codes.

Results

Overall, children in SDA consulted their GPs more often in the majority of diagnoses compared to those in Non-SDA (RR 1.20, 95% CI 1.19-1.20). However, in pregnancy and family planning, girls in SDA consulted their GPs less frequently for oral contraception compared to girls in Non-SDA (IRR 0.36; 95% CI 0.33-0.44).

Conclusions

Overall, higher GP consultation rates were found in children in SDA for the majority of clinical diagnoses except in pregnancy and family planning. GPs therefore can play a pivotal role in identifying risks of social deprivation and the impact on childhood diseases in particular for pregnancy-related outcomes.

Inleiding

Huisartsen ervaren twee klinische uitdagingen wanneer zij kinderen met niet-acute gastro-intestinale klachten zien. Ten eerste is het moeilijk kinderen met zeldzame maar ernstige aandoeningen te onderscheiden van kinderen met functionele aandoeningen, omdat de klinische presentatie op elkaar kan lijken. Hiervoor kunnen huisartsen gebruik maken van aanvullende diagnostiek of verwijzen naar de tweede lijn. Echter, beide interventies kunnen het kind onnodig belasten en onnodige kosten opleveren. De grote meerderheid van deze kinderen heeft namelijk een functionele aandoening en kan daarom in de eerste lijn behandeld worden. Dit vormt de tweede uitdaging voor de huisarts. Functionele aandoeningen kunnen lange tijd aanhouden en een grote impact op het leven van het kind hebben. De huisarts kan deze kinderen zelf behandelen, maar ook verwijzen naar paramedici of de kinderarts. Met deze studie proberen we inzicht te krijgen in hoe huisartsen met deze uitdagingen omgaan.

Onderzoeksvraag

Wat is het beleid van de huisarts bij kinderen met niet-acute gastro-intestinale klachten?

Methoden

Dit is een retrospectieve cohortstudie met een follow-up van 1 jaar. We maakten gebruik van registratiedata (AHON-database, Academisch Huisarts Ontwikkel Netwerk) uit 57 huisartsenpraktijken in Noord- en Oost-Nederland. We selecteerden kinderen die tussen 01-01-2015 en 31-12-2019, 4-17 jaar oud waren en een eerste contact hadden met één van de volgende ICPC-codes: D01, D02, D06, D11, D12, D16, D18, D25, D27, D29, D73, D93, D94, D99.06, D99.07. Kinderen werden geïncludeerd wanneer er een face-to-face consult was voor niet-acute buikpijn en/of diarree (>1 week) gebaseerd op open-tekstvelden (criteria voor baselineconsult). Vervolgens verzamelden onderzoekers bij geïncludeerde kinderen o.b.v. open-tekstvelden de aard en duur van de klachten en de diagnose tijdens het baselineconsult en de diagnose na 1 jaar follow-up. Uitkomsten waren aanvullende diagnostiek (bloed- en urineonderzoek en fecaal calprotectine) en medicatievoorschriften tijdens het baselineconsult en verwijzingen na 1 jaar follow-up. Medicatievoorschriften en verwijzingen werden (deels) verzameld uit de open-tekstvelden en aanvullende diagnostiek o.b.v. een query in de AHON-database.

Resultaten

In de studieperiode waren er 64.355 kinderen van 4-17 jaar oud geregistreerd in de AHON-database. Van deze kinderen hadden er 6.553 (10.2%) een eerste contact met één van de ICPC-codes, waarvan 2.207 (33.6%) een face-to-face consult hadden voor niet-acute buikpijn en/of diarree. De meerderheid van deze 2.207 kinderen was vrouw (59.9%), kwam voor buikpijn (78.8%) en kreeg een functionele (werk)diagnose tijdens het baselineconsult (76.7%). Bij 699 kinderen (31.6%) zette de huisarts aanvullende diagnostiek in, waarvan C-reactief proteïne (n=404), leukocyten (n=383), en hemoglobine (n=368) het vaakst. Bij 760 (34.4%) kinderen schreef de huisarts medicatie voor, waarvan laxantia het vaakst (n=468). Na 1 jaar follow-up waren er 352 kinderen (15.9%) verwezen, waarvan 282 (80.1%) naar de tweede lijn. Twintig kinderen (0.9%) kregen tijdens follow-up een organische diagnose waarvoor tweedelijnszorg nodig is, zoals inflammatory bowel disease en coeliakie.

Conclusie

Ondanks de lage a priori kans op organische aandoeningen maakte huisartsen vaak gebruik van aanvullend onderzoek en verwijzingen naar de tweede lijn. Verder onderzoek moet uitwijzen wat de beweegredenen zijn van huisartsen om gebruik te maken van deze interventies.

Overig

Deze studie is afgerond en gebaseerd op registratiedata van 57 huisartsenpraktijken.

Korte presentaties 2

Inleiding

In de algemene populatie tussen 35 en 70 jaar heeft ongeveer 50% hypertensie; een grote risicofactor voor hart- en vaatziekten en een verhoogde kans op vroegtijdige sterfte. Er is weinig bekend over de kwaliteit van de diagnose van hypertensie in de eerste lijn.

Onderzoeksvraag

hoe is de kwaliteit van methoden die worden gebruikt bij het diagnosticeren van hypertensie in de eerste lijn.

Methode

Observationeel retrospectief cohortonderzoek, in de IPCI –database, een huisartsregistratie database. Er werd onderzoek gedaan bij een willekeurige selectie van patiënten, tussen de 40 en 70 jaar met een nieuwe diagnose hypertensie in de jaren 2012 en 2016. Door visuele inspectie van de elektronische medische dossiers werden de methoden die werden gebruikt voor de diagnose hypertensie beoordeeld bij 500 patiënten in elk jaar. De methode van bloeddrukmetingen werd als correct beschouwd als er drie of meer metingen werden gedaan in de huisartsenpraktijk, bij thuismetingen, bij gebruik van de 30 minute methode of wanneer de 24 -uur meting werd gebruikt. De diagnose was correct als naast een juiste methode ook de juiste afkapwaarden conform de NHG-standaard werden gehanteerd.

Resultaten

In 2012 en 2016 werd het meest gebruik gemaakt van bloeddrukmetingen tijdens het spreekuur, om de diagnose hypertensie te stellen, bij respectievelijk 74,4% en 66,4% van de patiënten. De 30-minuten methode werd gebruikt in 0,4% en 4,2%, 24H uur metingen bij 16,0% en 22,2% en thuismetingen bij 4,2% en 7,0% van de patiënten. De verschillen tussen de jaren waren statistisch significant. Het stellen van de diagnose hypertensie op basis van slechts 1of 2 bloeddrukmeting was in 2012 en 2016 respectievelijk bij 57,8% en 53,8% van de patiënten het geval. De diagnose werd correct beoordeeld bij 14,2% van de patiënten in 2012 en 29,0% in 2016 (p<0,001). In de niet correcte diagnosegroep werd bij 70,3% (2012) en 63,6% (2016) van de patiënten gestart met een antihypertensivum.

Conclusie

De toegepaste methode voor de diagnose hypertensie, in de eerste lijn in Nederland, was vaak niet in overeenstemming met de bestaande richtlijnen. Tussen 2012 en 2016 werd een kleine verbetering waargenomen. Het niet gebruiken van een valide methode kan leiden tot levenslange onnodige behandeling van patiënten met incidenteel verhoogde bloeddruk of witte jassen hypertensie. Verbetering is wenselijk.

Inleiding

Op vrijwel alle Nederlandse huisartsenposten wordt de Nederlandse Triage Standaard (NTS) als semi-automatische beslisondersteuning gebruikt ter ondersteuning van triagisten bij de urgentiebepaling. Na het kiezen van een ingangsklacht door de triagist volgen er enkele ‘kernvragen’ waarna de NTS een urgentie voorstelt die door de triagist kan worden op- of afgeschaald. Vragen die kunnen leiden tot een hoge urgentie worden eerst gesteld en bij positieve beantwoording kunnen/hoeven vragen ‘lager in de hiërarchie’ niet meer gesteld te worden. Bij de ingangsklacht ‘pijn thorax’ is de vraag naar diabetes laag in hiërarchie en wordt vaak niet gesteld. Bellers kunnen natuurlijk bekend zijn met diabetes ook spontaan melden.

Het is bekend dat diabetes een belangrijke risicofactor is voor hart- en vaatziekten en diverse studies suggereren dat patiënten met diabetes en een acuut coronair syndroom (ACS) zich met minder specifieke klachten presenteren. Daarom onderzoeken wij de waarde van diabetes als voorspeller voor een ACS tijdens telefonische triage op de huisartsenpost.

Onderzoeksvraag

De onderzoeksvragen van dit onderzoek zijn als volgt:

Wat is bij mannen en vrouwen die de huisartsenpost bellen voor acute pijn op de borst de relatie tussen een voorgeschiedenis van diabetes en

de toegewezen urgentie

de uiteindelijke diagnose ACS?

Methode

Patiënten die tussen 2014 en 2017 de huisartsenpost in de regio Utrecht belden vanwege pijn/druk/benauwd gevoel op de borst werden geïncludeerd. Klachten, patiënt- en gesprekskenmerken werden opgehaald uit de medische dossiers op de huisartsenpost en gespreksopnames. Follow-up informatie, inclusief die uit specialistenbrieven werd opgevraagd bij de eigen huisarts van de patiënt voor het bepalen van de uiteindelijke diagnose. We vergeleken patiënten waarbij tijdens het triagegesprek werd aangegeven dat zij bekend waren met diabetes met hen waarbij dit niet werd aangegeven. We gebruikten uni- en multivariabele logistische regressie voor het bepalen van de odds ratio’s (OR’s) tussen diabetes en (i) hoge urgentie en (ii) de diagnose ACS.

Resultaat

Van de 2.195 patiënten met pijn op de borst (gemiddelde leeftijd 59,1 jaar, 55,4% vrouwen) gaven er 180 (8,2%) aan diabetes te hebben. 15,3% van de mannen (22,0% van de mannen met diabetes) en 8,4% vrouwen (18,8% van de vrouwen met diabetes) bleek een ACS te hebben. Patiënten met diabetes kregen vaker een hoge urgentie toegewezen dan patiënten zonder diabetes (ruwe OR 1,38; 95% CI 0,98-1,96). Toch werd aan 26% van de patiënten met diabetes een lage urgentie (U3-U5) toegewezen. Patiënten met diabetes hadden significant vaker een ACS (OR 2,17; 95% CI 1,47-3,19). Ook na correctie voor leeftijd (OR 1,34; 95% CI 0,91-1,96) en geslacht (1,60; 95% CI 1,07-2,39). De associatie met ACS was sterker bij vrouwen (OR 2,16; 95% CI 1,16-4,02, p=0,015) dan bij mannen (OR 1,34; 95% CI 0,80-2,25, p=0,272).

Conclusie

Vragen naar diabetes door de triagist bij mensen die bellen met pijn/druk/benauwd gevoel op de borst is nuttig omdat het sterk helpt bij het bepalen van de kans op een ACS. Dit effect is sterker bij vrouwen dan bij mannen. Gezien deze bevinding dient er altijd naar gevraagd te worden bij patiënten in dit domein en zou de NTS hierop aangepast moeten worden.

Inleiding

Veel ouderen met dementie in het verpleeghuis hebben last van onbegrepen gedrag zoals wanen, agressie en apathie. Meerdere onderzoeken laten zien dat er een associatie lijkt te bestaan tussen dit onbegrepen gedrag en een verminderde doorbloeding van het brein. Bovendien lijkt er een verband te zijn tussen het gebruik van bloeddrukverlagende medicijnen en toename van dit onbegrepen gedrag.

Onderzoeksvraag

Leidt het verhogen van de bloeddruk, door het afbouwen van bloeddrukverlagende medicijnen, tot minder onbegrepen gedrag en een betere kwaliteit van leven bij ouderen met matige tot ernstige dementie in het verpleeghuis?

Methode

Een gerandomiseerde en enkelblinde interventiestudie, uitgevoerd in 26 verschillende zorgorganisaties verspreid over heel Nederland. Ouderen met matige tot ernstige dementie in het verpleeghuis en een systolische bloeddruk ≤160 mmHg bij het gebruik van bloeddrukverlagende medicatie werden gerandomiseerd in een afbouw- (semi-geprotocolleerd) en controlegroep (continuering) gedurende een periode van 8 maanden. Exclusiecriteria waren hartfalen NYHA-class-III/IV, actieve angina pectoris, een recent(e) cardiovasculair event/vasculaire interventie of een ingeschatte levensverwachting van minder dan 4 maanden. De co-primaire uitkomstmaten waren de verandering in onbegrepen gedrag (Neuropsychiatric Inventory-Nursing Home) en kwaliteit van leven (Qualidem) vier maanden na randomisatie. Secundaire uitkomstmaten omvatten o.a. cognitieve functie, zorgafhankelijkheid, dagelijks functioneren, psychofarmacagebruik en vallen.

Resultaat

Tussen december 2018 en mei 2021, werden 205 ouderen (mediane leeftijd 86 jaar-79,5% vrouw) gerandomiseerd, waarvan 177 (86,3%) deelnemers het primaire eindpunt bij 4 maanden bereikten. Gedurende het onderzoek vonden 63 severe adverse events plaats in 61 deelnemers. Op advies van de Data Safety Monitoring Board werd het onderzoek vroegtijdig afgerond in december 2021 omwille van het ontbreken van duidelijke voordelen in de preliminaire resultaten van de co-primaire uitkomstmaten. Definitieve resultaten voor alle uitkomstmaten bij 4 en 8 maanden follow-up zullen worden gepresenteerd op de NHG wetenschapsdag.

Conclusie

Gebaseerd op de preliminaire resultaten van het DANTON onderzoek, zijn de voordelen van het afbouwen van antihypertensiva ter verbetering van onbegrepen gedrag en kwaliteit van leven bij verpleeghuisbewoners met dementie onduidelijk, en mogelijk niet zonder een potentieel risico.

Background and Objectives

Although there is evidence of disruption in acute cerebrovascular and cardiovascular care during the coronavirus disease 2019 (COVID-19) pandemic, its downstream effect in primary care is less clear. We investigated how the pandemic affected utilization of cerebrovascular and cardiovascular care in general practices (GPs) and determined changes in GP-recorded diagnoses of selected cerebrovascular and cardiovascular outcomes.

Methods

From electronic health records of 166,929 primary care patients aged 30 or over within the Rotterdam region, the Netherlands, we extracted the number of consultations related to cerebrovascular and cardiovascular care, and first diagnoses of selected cerebrovascular and cardiovascular risk factors (hypertension, diabetes, lipid disorders), conditions, and events (angina, atrial fibrillation, TIA, myocardial infarction, stroke). We quantified changes in those outcomes during the first COVID-19 wave (March–May 2020) and thereafter (June–December 2020) by comparing them to the same period in 2016–2019. We also estimated the number of potentially missed diagnoses for each outcome.

Results

The number of GP consultations related to cerebrovascular and cardiovascular care declined by 38% (0.62, 95% confidence interval 0.56–0.68) during the first wave, as compared to expected counts based on prepandemic levels. Substantial declines in the number of new diagnoses were observed for cerebrovascular events: 37% for TIA (0.63, 0.41–0.96) and 29% for stroke (0.71, 0.59–0.84), while no significant changes were observed for cardiovascular events (myocardial infarction [0.91, 0.74–1.14], angina [0.77, 0.48–1.25]). The counts across individual diagnoses recovered following June 2020, but the number of GP consultations related to cerebrovascular and cardiovascular care remained lower than expected throughout the June to December period (0.93, 0.88–0.98).

Discussion

While new diagnoses of acute cardiovascular events remained stable during the COVID-19 pandemic, diagnoses of cerebrovascular events declined substantially compared to prepandemic levels, possibly due to incorrect perception of risk by patients. These findings emphasize the need to improve symptom recognition of cerebrovascular events among the general public and to encourage urgent presentation despite any physical distancing measures.

Inleiding

Wanneer er orale antistolling (OAS) wordt voorgeschreven bij patiënten met atrium fibrilleren (AF) heeft de huisarts de keus tussen vitamine K antagonisten (VKA) en directe orale anticoagulantia (DOAC). In de NHG standaard worden deze twee middelen als gelijkwaardig alternatief gezien, terwijl in de tweede lijn een voorkeur voor DOAC’s bestaat. Tot nu toe is nog niet in kaart gebracht hoe huisartsen omgaan met deze keuze en of zij voorkeur hebben.

Onderzoeksvragen

Hebben huisartsen voorkeur voor een type OAS wanneer OAS wordt voorgeschreven bij patiënten met AF? Wijzigen huisartsen proactief het type OAS bij patiënten die al OAS gebruiken?

Methode

Voor dit observationele onderzoek hebben we gebruik gemaakt van de gegevens uit elektronische patiëntendossiers, zoals verzameld in Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn. We includeerden patiënten van 60 jaar en ouder met AF, die OAS kregen voorgeschreven door een huisarts. We hebben onderscheid gemaakt tussen nieuwe patiënten (starters) en patiënten die al OAS gebruikten. Van de starters stelden we vast met welk OAS zij door de huisarts gestart waren. Van beide groepen bekeken we of de patiënten wisselden tussen DOAC en VKA en omgekeerd in de periode 2018-2019. Indien er op de datum van het recept of een dag erna tevens eens contact geweest was met de huisarts, namen we aan dat het recept was uitgeschreven door een huisarts.

Resultaat

We includeerden 12.516 patiënten die OAS gebruikten. 476 patiënten (4%) startten OAS in 2018; 12.040 patiënten gebruikten al OAS. Wanneer OAS werd voorgeschreven door de huisarts aan nieuwe patiënten met AF, werden DOAC’s het meest voorgeschreven (87%). Rivaroxaban was de meest voorgeschreven DOAC aan starters. Van alle patiënten die al OAS gebruikten, gebruikten meer dan de helft een VKA (60%). 1% van de starters en 0,6% van de langdurige OAS gebruikers wisselden tussen type van OAS.

Conclusie

Huisartsen schrijven voornamelijk DOAC’s voor wanneer OAS wordt gestart bij patiënten met AF. Patiënten die al OAS gebruikten, gebruiken vooral VKA’s. Patiënten wisselen nagenoeg niet tussen type OAS in onze 2-jarige onderzoeksperiode. Aangezien nieuwe patiënten in de eerste lijn vooral een DOAC starten, en overstappen ongebruikelijk is, zal de komende jaren het aantal VKA-gebruikers afnemen. Wel zal er altijd een kleine groep patiënten blijven voor wie DOAC’s niet geschikt zijn en die een VKA zullen blijven gebruiken. Dit fenomeen kan vragen oproepen over de organisatie en kosteneffectiviteit van regelmatige INR controles zoals dit nu plaatsvindt. Tevens is centraal georganiseerde follow-up voor patiënten met een DOAC nog niet georganiseerd. Onze bevindingen kunnen helpen om de noodzaak van een georganiseerde vorm van controles voor deze patiëntengroep te benadrukken.

Inleiding

Huisartsen beoordelen veel patiënten met acute infecties. Het grootste deel van deze infecties zijn self-limiting of met orale antibiotica te behandelen, maar er kan ook sprake zijn van sepsis. Sepsis is een levensbedreigende complicatie van een infectie, waarbij snelle behandeling cruciaal is voor de prognose. Het tijdig herkennen en verwijzen van patiënten met sepsis en gelijktijdig het aantal onnodige ziekenhuisverwijzingen beperken, is uitdagend. Sepsis scores zoals de systemic inflammatory response syndrome (SIRS) criteria, quick Sequential Organ Failure Assessment (qSOFA) score en de National Early Warning Score (NEWS) zijn niet gevalideerd voor gebruik in de eerste lijn.

Onderzoeksvraag

Wat is het meest geschikte predictiemodel om sepsis te herkennen in de eerste lijn?

Methode

Acuut zieke volwassen patiënten werden geïncludeerd tijdens huisvisites die plaatsvonden bij vier huisartsenposten in Nederland in de periode Juni 2018 tot Maart 2020. Voor de ontwikkeling van het model werden negen klinische variabelen en drie bloedbepalingen (CRP, procalcitonine en lactaat) onderzocht als mogelijke voorspellers van sepsis. Het primaire eindpunt was “sepsis binnen 72 uur na inclusie”, en werd vastgesteld door een expertpanel. Voor de ontwikkeling van het model werd een multivariabele logistische regressieanalyse uitgevoerd met backward selectie. Aan een model van klinische variabelen werden vervolgens de bloedbepalingen toegevoegd ter beoordeling van de toegevoegde waarde. Tot slot werd een versimpeld model ontwikkeld na dichotomisering van de variabelen. De ontwikkelde modellen werden vergeleken met bestaande sepsisscores en extern gevalideerd in twee datasets van patiënten met verdenking op een infectie op de SEH.

Resultaten

Er werden 357 geïncludeerd met een mediane leeftijd van 80 jaar, waarvan er in 151 (42%) patiënten sepsis werd vastgesteld. Het model bestaande uit continue variabelen had een C-statistiek van 0.80 (95% BI 0.76 tot 0.83) en een Brier score van 0.181. Een versimpeld model, bestaande uit zes dichotome variabelen die ieder 1 punt op kunnen leveren (leeftijd ≥65 jaar; temperatuur>38°C; systolische bloeddruk ≤110 mmHg; hartfrequentie >110/min; saturatie ≤95%; veranderd bewustzijn), toonde een vergelijkbare discriminatie en calibratie (C-statistiek of 0.80 [95% CI 0.75 to 0.84]; Brier score 0.175). Toevoeging van bloedwaarden resulteerde niet in een klinisch relevante verbetering van het model. De C-statistiek waarden van SIRS, qSOFA en NEWS waren respectievelijk 0.66, 0.71 en 0.79. Het versimpelde model was robuust bij externe validatie.

 Conclusie

Een eenvoudig predictiemodel kan sepsis accuraat voorspellen bij volwassen patiënten die tijdens een visite van de huisartsenpost worden beoordeeld. Verder onderzoek is nodig om vast te stellen of het predictiemodel de verwijzing van patiënten met mogelijke sepsis vanuit de eerste lijn verbetert.

Inleiding

IJzergebreksanemie is een veelvoorkomende diagnose bij oudere patiënten. De richtlijn adviseert bij een onverklaarde ijzergebreksanemie endoscopische vervolgdiagnostiek in te zetten. Bij ouderen kan het zo zijn dat de lasten van vervolgdiagnostiek mogelijk niet opwegen tegen de baten. Het is echter grotendeels onbekend wat het beloop is van patiënten met een onverklaarde ijzergebreksanemie die afzien van verdere diagnostiek. Het doel van deze studie is het in kaart brengen van patiëntkarakteristieken en uitkomsten van patiënten met een onverklaarde ijzergebreksanemie in de huisartsenpraktijk die afzien van medisch specialistische evaluatie.

Methoden

Patiënten van 70 jaar en ouder met een ijzergebreksanemie (ICPC-code B80) in het huisartsendossier werden geselecteerd vanuit de AHON database. Op basis van het huisartsendossier werden patiënten met een ijzergebreksanemie gecategoriseerd in drie groepen: 1. Een verklaarde ijzergebreksanemie, 2. Verwezen voor medisch specialistische evaluatie, of 3. Geen of niet-invasieve evaluatie in de huisartsenpraktijk. Patiëntkarakteristieken en tweejaarsoverleving werden vergeleken tussen patiënten die werden verwezen voor medisch specialistische evaluatie en patiënten die geen of niet-invasieve evaluatie ondergingen.

Resultaten

Vergeleken met patiënten die werden verwezen voor medisch specialistische evaluatie (n =235, 47.8%), waren patiënten die geen of niet-invasieve evaluatie ondergingen (n=257, 52.5%) ouder (respectievelijk 79 versus 82 jaar, p<0.01) en vaker vrouw (respectievelijk 56,2% en 65,4%, p=0.04). Daarbij hadden deze patiënten significant vaker hartfalen (respectievelijk 17,4% en 26,1%, p=0.02) en dementie (respectievelijk 2,6% en 8,9%, p<0.01). Tweejaarsoverleving was significant beter in patiënten die werden verwezen voor medisch specialistische evaluatie ten opzichte van patiënten die geen of niet-invasieve evaluatie in de huisartsenpraktijk ondergingen (respectievelijk 83.9% en 75.5%, p=0.02)

Conclusies

Of een huisarts een patiënt met een onverklaarde ijzergebreksanemie al dan niet verwijst voor medisch specialistische evaluatie is afhankelijk van leeftijd, geslacht en comorbiditeit in het bijzonder hartfalen en dementie. Dit suggereert dat huisartsen een afweging maken tussen de lasten en baten van door de richtlijn aanbevolen diagnostiek zoals endoscopie. Omdat de tweejaarsoverleving van patiënten die geen of niet-invasieve evaluatie in de huisartsenpraktijk ondergaan nog altijd hoog is, zou een afwachtend beleid en daarmee het afwijken van de richtlijn besproken kunnen worden met de patiënt. Niet-invasieve diagnostische tests in de huisartsenpraktijk zouden van toegevoegde waarde kunnen zijn.

Inleiding

Chronische nierschade (CNS) geeft in een vroeg stadium meestal weinig klachten, maar bij verslechtering kan uiteindelijk een levensbedreigende situatie ontstaan. Hoewel CNS onomkeerbaar is kan vroege diagnose en behandeling progressie van de ziekte vertragen. Huisartsen kunnen een rol spelen in opsporing en behandeling van CNS. Daarvoor is het relevant de diagnose CNS goed vast te leggen in het huisartsendossier om begeleiding en medicatiebewaking van patiënten te vergemakkelijken.

Vraagstelling

In welke mate zijn Nederlanders met CNS in beeld bij de huisarts?

Hoeveel van de in de huisartspraktijk bekende patiënten met CNS worden gemonitord volgens de NHG-standaarden Chronische nierschade en, indien van toepassing, Cardiovasculair risicomanagement (CVRM) en Diabetes mellitus?

Methode

We gebruikten gegevens van Nivel Zorgregistraties eerstelijn (NZR). Dit zijn gegevens die routinematig zijn vastgelegd in elektronische patiëntdossiers, waaronder episodes van ziekten, gedeclareerde consulten, voorgeschreven geneesmiddelen en onderzoeksuitslagen. NZR bevatte in 2019 gegevens van een representatieve steekproef van 500 huisartsenpraktijken met zo’n 1,8 miljoen ingeschreven patiënten.

Resultaten

Bij 2,5% van de volwassen patiënten in NZR is de diagnose CNS met een ICPC code vastgelegd in het huisartsendossier. Daarnaast is bij nog eens 2,4% van de patiënten op grond van afwijkende nierfunctie (eGFR) en/of ACR bepalingen sprake van CNS, zonder dat de diagnose met de juiste ICPC code is geregistreerd. In totaal is dus bij circa 5% van de patiënten in de huisartsendossiers sprake van CNS.

Bij 40% van de patiënten met CNS heeft de huisarts in het patiëntendossier genoteerd dat leefstijladviezen zijn gegeven. Het voorschrijven van medicatie aan mensen met CNS is in de meeste gevallen in overeenstemming met de adviezen in de NHG-richtlijnen. Zo krijgt meer dan 90% van de patiënten met CNS en hypertensie, bloeddrukverlagers.

Een relevante indicator om vast te stellen of patiënten met CNS volgens de richtlijnen CNS worden gemonitord is het jaarlijks bepalen van eGFR, ACR, glucosewaarde en bloeddruk. In de huisartsendossiers is dit bij 62% van alle patiënten met CNS geregistreerd. Bij patiënten die naast CNS ook een andere aandoening hebben, zoals diabetes of hoge bloeddruk, staan de metingen het meest vaak in het dossier. Het monitoren van patiënten met CNS lijkt daarmee beter te gebeuren dan in 2013, toen in eerder onderzoek werd gevonden dat bij 43% van de patiënten met CNS jaarlijks eGFR, ACR, glucosewaarde en bloeddruk werden bepaald.

Conclusie

Voor het goed monitoren van CNS is het relevant dat patiënten zijn terug te vinden in het huisartsendossier. Van bijna de helft van de patiënten met CNS ontbreekt echter de ICPC diagnose code op de juiste plaats in het dossier. Hoewel het geven van leefstijladviezen een belangrijk onderdeel is van de NHG-richtlijnen voor het behandelen van patiënten met CNS, worden deze niet altijd gegeven. Patiënten met CNS lijken de laatste jaren vaker te worden gemonitord, maar er is nog ruimte voor verbetering.

Workshops

Elke huisartsenpraktijk heeft wel kinderen en volwassenen die nog niet gediagnosticeerd zijn met een zeldzame ziekte, terwijl ze daar baat bij kunnen hebben. Patiënten hebben meestal een normaal uiterlijk en een onbegrepen ontwikkelingsachterstand. De diagnose wordt vaak laat gesteld en gedrags- en belevingsproblemen worden niet (h)erkend. Terwijl van zorgverleners in de 1e lijn steeds vaker wordt verwacht dat zij gepersonaliseerde en (farmaco)genetische zorg verlenen.
Proactieve huisartsenzorg, gebaseerd op data, kan dit mogelijk gaan maken. Hiervoor moet de informatie gevisualiseerd worden op een manier die de meest medisch relevante gegevens toegankelijk maakt voor besluitvorming. Belangrijk is dat e-health, AI en (farmaco)genetica-educatie een plek krijgen in de medische curricula, in de huisartsopleiding en tijdens nascholingen.
Hoe denkt u over proactieve huisartsenzorg gebaseerd op data? Discussieer mee tijdens deze workshop.